Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[X] N.V,
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn sinds 2014 verwikkeld in een geschil over de uitleg van een samenwerkingsovereenkomst uit 2008, met diverse procedures tot gevolg. Het hof heeft in 2020 een arrest gewezen waarin [Y] werd veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan [X], en dit arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Na het instellen van cassatie door [Y] ontstond een executiegeschil over de vraag of [X] zonder zekerheidstelling het arrest mocht uitvoeren. De voorzieningenrechter stelde als voorwaarde voor de uitvoerbaarheid bij voorraad dat [X] een bankgarantie moest stellen. Het hof vernietigt dit vonnis en oordeelt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest in beginsel zonder zekerheidstelling moet worden uitgevoerd.
Het hof weegt het belang van [Y] bij zekerheid tegen het belang van [X] bij betaling af en concludeert dat het vermeende restitutierisico onvoldoende concreet is om zekerheidstelling te rechtvaardigen. Ook de stelling dat [X] als houdstermaatschappij geen verhaal zou bieden, wordt niet onderbouwd. Daarom wijst het hof de vorderingen van [Y] af en veroordeelt haar in de kosten.
Het arrest bevestigt het uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis zonder zekerheidstelling ten uitvoer moet kunnen worden gelegd, tenzij zwaarwegende belangen dat verhinderen, wat hier niet het geval is.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de vorderingen van [Y] af, waarbij het arrest zonder zekerheidstelling uitvoerbaar bij voorraad blijft.