ECLI:NL:GHAMS:2021:3081
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Huur woonruimte: huisvesting studerende dochter geen dringend eigen gebruik
De verhuurder vorderde in hoger beroep de beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik, omdat hij de woonruimte nodig had voor zijn studerende dochter. Tevens stelde hij dat de huurster zich niet als een goed huurder gedroeg.
De kantonrechter wees de vordering af omdat de verhuurder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de dochter daadwerkelijk dringend gebruik zou maken van de woning en dat de huurster passende woonruimte kon verkrijgen. Ook woog de kantonrechter het belang van de huurster zwaarder.
Het hof bevestigde deze beoordeling. Het stelde dat huisvesting van een familielid niet zonder meer als eigen gebruik geldt en dat de verhuurder onvoldoende bewijs leverde dat de huurster passende woonruimte kon vinden. De belangenafweging viel ook in het voordeel van de huurster uit, die vanwege haar inkomen en wachttijd aangewezen is op sociale huur.
De klachten van de verhuurder over het gedrag van de huurster konden geen beëindiging van de huurovereenkomst rechtvaardigen. De vorderingen werden daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.