De verdachte, werkzaam als winkel- en kassamedewerkster, werd beschuldigd van verduistering van geldbedragen in februari 2018 bij haar werkgever. De politierechter sprak haar vrij voor verduistering op 16 en 21 februari 2018, maar veroordeelde haar voor de feiten van 17 en 18 februari 2018. In hoger beroep bevestigde het hof deze vrijspraak voor 16 en 21 februari, maar achtte de verdachte schuldig aan verduistering op 17 en 18 februari.
Het bewijs bestond uit retourenoverzichten en camerabeelden waarop te zien was dat de verdachte geld uit de kassalade pakte en onder haar trui verstopte. De verdachte verklaarde dit geld later te hebben terugbetaald via pintransacties, maar kon dit niet onderbouwen met bankgegevens. Ook getuigen bevestigden dat het personeel geen geld uit de kassa mocht pinnen. Daarnaast erkende de verdachte in gesprekken met een onderzoeksbureau meerdere keren geld te hebben ontvreemd.
Het hof oordeelde dat de verdachte het vertrouwen van haar werkgever op ernstige wijze had geschonden en dat de financiële schade aanzienlijk was. Gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde het hof een taakstraf van 40 uur op, met een bijkomende hechtenisstraf van 20 dagen voor het geval de taakstraf niet wordt uitgevoerd. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.