ECLI:NL:GHAMS:2021:2822
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging zorgregeling na echtscheiding met gezamenlijke gezag
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter die een voorlopige zorgregeling heeft vastgesteld voor de omgang van de vader met hun minderjarige dochter. De moeder verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat de zorgregeling in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind en ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling.
Het hof stelt vast dat partijen gezamenlijk het gezag over het kind hebben en dat het kind recht heeft op omgang met beide ouders, zoals gewaarborgd door het EVRM en het Burgerlijk Wetboek. De moeder heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd met objectief bewijs. Ook is niet gebleken dat de vader contact met het Ouder- en Kindteam niet heeft gezocht, ondanks de moeizame communicatie.
Het hof oordeelt dat er geen omstandigheden zijn die een afwijking van de uitvoerbaarheid bij voorraad rechtvaardigen en dat het bestreden vonnis niet op een kennelijke misslag berust. Daarom wordt het verzoek tot schorsing afgewezen. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor dagbepaling arrest en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de zorgregeling wordt afgewezen.