Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
).De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit
.De kinderen wonen bij de vrouw.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2006 gehuwd en in 2019 gescheiden. In hoger beroep is geschil over de hoogte en ingangsdatum van kinderalimentatie en partneralimentatie, alsmede over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder de waarde van goodwill en aandelen.
De man voert aan dat zijn draagkracht door omzetverlies sinds de Covid-crisis is gedaald, waardoor kinderalimentatie vanaf 2020 nihil moet zijn en partneralimentatie niet verschuldigd. De vrouw betwist dit en wijst op mogelijke steunregelingen en onbetrouwbare cijfers. Het hof oordeelt dat de man een draagkracht heeft van €73 per kind per maand tot 1 januari 2020, nihil tot eind 2021 en weer €73 vanaf 2022. Partneralimentatie wordt afgewezen.
Over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeenstemming over de meeste activa en passiva, maar onenigheid over de waardering van goodwill van de eenmanszaak. Het hof benoemt een deskundige voor waardebepaling en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.
Uitkomst: Kindalimentatie vastgesteld op €73 per kind per maand tot 1 januari 2020, nihil tot eind 2021, weer €73 vanaf 2022; partneralimentatie afgewezen; verdere verdeling huwelijksgoederengemeenschap aangehouden voor deskundigenonderzoek.