ECLI:NL:GHAMS:2021:2292

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
200.277.188/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 8 BWArt. 12 Wet op de caoArt. 3 Wet AVV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cao-bepaling prevaleert boven ongunstig studiekostenbeding in arbeidsovereenkomst

In deze zaak stond de vraag centraal of het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst van de werknemer prevaleert boven artikel 72 van Pro de cao Metaalbewerkingsbedrijf. De werkgever, Besseling, voerde aan dat het studiekostenbeding geldig was en dat het hof terug moest komen op het eerdere tussenarrest. Het hof oordeelde echter dat artikel 72 cao Pro, dat een terugbetalingsverplichting koppelt aan een termijn van één jaar, prevaleert boven het voor de werknemer ongunstigere studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst.

Het hof overwoog dat het studiekostenbeding in strijd is met artikel 72 cao Pro en dat de cao via een dynamisch incorporatiebeding onderdeel is geworden van de arbeidsovereenkomst. De werkgever is gebonden aan de cao als lid van een werkgeversvereniging, terwijl de werknemer niet gebonden is aan een werknemersvereniging, waardoor nietigheid op grond van artikel 12 WCAO Pro niet aan de orde is.

Verder stelde het hof vast dat de cao niet algemeen verbindend was verklaard op het moment van het aangaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst, zodat geen nawerking geldt voor ongebonden werknemers. Toch prevaleert het dynamisch incorporatiebeding van de cao boven het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst. De vorderingen van de werkgever stranden daarom, omdat de werknemer zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd na de in artikel 72 cao Pro genoemde termijn van één jaar.

De overige grieven van de werkgever behoeven geen bespreking meer. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de werkgever in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van de werkgever af omdat de cao-bepaling prevaleert boven het studiekostenbeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.277.188/01
zaaknummer rechtbank : 8094806 \ CV EXPL 19-7652
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 juli 2021
inzake
BESSELING & ALL TECHNIEK B.V.
gevestigd te Heerhugowaard,
appellante,
advocaat: mr. M.J.M. Groen te Almere,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.L. Sieval te Heerhugowaard.

1.Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Besseling en [geïntimeerde] genoemd. Waar hierna wordt gesproken over “de cao” wordt de cao voor het Metaalbewerkingsbedrijf bedoeld.
Op 9 maart 2021 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Bij dit arrest is een mondelinge behandeling bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021.
Ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling zijn van de zijde van Besseling verschenen [persoon 1] , [functie-aanduiding] , en [persoon 2] , [functie-aanduiding] , bijgestaan door mr. Groen voornoemd.
[geïntimeerde] is verschenen, bijgestaan door mr. R. Bleijendaal, advocaat te Heerhugowaard en kantoorgenote van mr. Sieval. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2.2. Verdere beoordeling

2.1
Het betoog van Besseling strekt er in de eerste plaats toe dat het hof terug komt van de eindbeslissingen zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.9 van het tussenarrest. Zij voert daartoe, samengevat, aan dat noch de context waarin artikel 72 van Pro de cao is opgenomen, noch het feit dat in het betreffende artikel wordt gesproken over opleidingskosten en een terugbetalingsverplichting die aan een termijn is gekoppeld, de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een studiekostenbeding. Het feit dat de door Besseling voorgestane uitleg van artikel 72 cao Pro inhoudt dat sprake is van een nietige bepaling – wegens strijd met het dwingendrechtelijke artikel 7:672 lid 8 BW Pro inhoudende een maximale opzegtermijn van zes maanden voor de werknemer - is geen onaannemelijk rechtsgevolg maar een gevolg dat klaarblijkelijk beoogd is door de cao sluitende partijen, aldus nog steeds Besseling. Het hof ziet in het voorgaande geen aanleiding om terug te komen van hetgeen in het tussenarrest is overwogen. Hieraan kan worden toegevoegd dat, anders dan Besseling lijkt te betogen, de betreffende bepaling in beginsel naar objectieve maatstaven en de
kennelijkebedoelingen van de cao sluitende partijen moet worden uitgelegd. In dat licht acht het hof niet aannemelijk dat een nietige bepaling beoogd is.
2.2
Het hof heeft in het tussenarrest ten aanzien van de
grieven I tot en met IVoverwogen dat het studiekostenbeding zoals opgenomen in de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten tussen partijen, in strijd is met artikel 72 van Pro de cao. Naar aanleiding van rechtsoverweging 3.11 van het tussenarrest heeft Besseling ter zitting verklaard een gebonden werkgever te zijn, namelijk lid van een werkgeversvereniging die partij is bij de cao. [geïntimeerde] heeft verklaard geen lid te zijn van een werknemersvereniging. Dit voert het hof tot de conclusie dat van nietigheid in de zin van artikel 12 Wet Pro op de cao (hierna WCAO) geen sprake is. Voor zover mr. Bleijendaal in haar pleitnota betoogt dat het hof ambtshalve de nietigheid op grond van artikel 12 WCAO Pro zou kunnen vaststellen, ook indien een van beide partijen ongebonden is, faalt dit betoog omdat in artikel 12 WCAO Pro is bepaald dat beide partijen gebonden moeten zijn.
2.3
[geïntimeerde] heeft zich voorts beroepen op nietigheid van het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomsten wegens strijd met artikel 72 van Pro de cao, op grond van artikel 3 van Pro de Wet AVV. Hierin is, kort gezegd, bepaald dat elk beding dat in strijd komt met een algemeen verbindend verklaarde cao bepaling nietig is. Het hof overweegt in dit verband het volgende. De cao is - voor zover tussen partijen relevant - algemeen verbindend verklaard (geweest) gedurende de volgende periodes:
-24-1-2014 tot 1-3-2015
-29-1-2016 tot 1-5-2017
-17-8-2017 tot 1-6-2019
-25-12-2019 tot 21-10-2021
Dit betekent dat de cao noch bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2015, noch ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst op 31 juli 2019, algemeen verbindend was verklaard. Ten aanzien van ongebonden werknemers komt aan algemeen verbindend verklaarde cao bepalingen geen nawerking toe, zodat de nietigheid van het studiekostenbeding wegens strijd met artikel 72 cao Pro evenmin kan worden gegrond op artikel 3 Wet Pro AVV.
2.4
Het hof is evenwel van oordeel dat artikel 72 van Pro de cao ingevolge artikel 11 van Pro de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, inhoudende een zogeheten dynamisch incorporatiebeding, van die overeenkomsten deel is gaan uitmaken. In dit artikel is het volgende bepaald:
“(…) Tevens is hierop van toepassing de CAO voor het Metaalbewerkingsbedrijf. Deze overeenkomst is conform de thans geldende CAO opgesteld en de rechten en plichten van de werknemer hieraan conform weergegeven. Wanneer in de toekomst in nieuw af te sluiten CAO’s de rechten en plichten van werknemer en werkgever wijzigen worden deze wijzigingen integraal van toepassing op de tussen werkgever en werknemer bestaande arbeidsovereenkomst en vervangen hiermee de hiervoor omschreven rechten en plichten.”
Naast het feit dat artikel 72 cao Pro via dit incorporatiebeding is gaan deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst heeft Besseling ter zitting verklaard steeds de intentie te hebben gehad om de cao te volgen. Ook [geïntimeerde] heeft verklaard zich bij de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst rekenschap te hebben gegeven van de in de artikel 72 cao Pro genoemde termijn van één jaar.
2.5
Als gevolg van deze incorporatie is sprake van strijdigheid van het studiekostenbeding uit de arbeidsovereenkomst (artikel 10 van Pro de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en artikel 12 inclusief Pro bijlage in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) met het geïncorporeerde artikel 72 van Pro de cao. Gelet op het karakter van de cao, te weten een minimum cao, en vanuit de kennelijke bedoeling van Besseling om door middel van deze incorporatie geen onderscheid te maken tussen gebonden en ongebonden werknemers, moet worden aangenomen dat het geïncorporeerde artikel 72 cao Pro prevaleert boven de artikelen in de opvolgende arbeidsovereenkomsten waarin een voor [geïntimeerde] ongunstiger studiekostenbeding is opgenomen. Het gevolg hiervan is dat de vorderingen van Besseling stranden, nu [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een datum gelegen meer dan één jaar na het behalen van zijn examen zoals bedoeld in artikel 72 cao Pro.
2.6
Bij deze stand van zaken behoeft
grief V, waarmee wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter zoals verwoord onder 5.10 van het bestreden vonnis (inhoudende dat het studiekostenbeding niet is aangegaan vóór aanvang van de opleiding), geen bespreking meer. Immers ook wanneer deze grief zou slagen, wordt het vonnis in eerste aanleg bekrachtigd op de gronden zoals hiervoor overwogen.
2.7
De
grieven VI en VIIborduren voort op de eerdere grieven en behoeven in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen bespreking meer.
2.8.
Besseling heeft geen concrete feiten aangeboden te bewijzen die, indien bewezen, tot andere beslissingen dan de voorgaande zouden kunnen leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom van de hand gewezen.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Besseling in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 332,- aan verschotten en € 2.228,- aan salaris;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, R.J.M. Smit en T.S. Pieters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.