Uitspraak
1.Het geding
2.Het wrakingsverzoek
Ik verwijs naar mijn bericht aan verzoeker van 19 november 2019, bijlage 2. Daarbij zij
Gerechtshof Amsterdam
De verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam inzake een schadevergoeding wegens vervangende hechtenis. Na de raadkamerbehandeling op 21 november 2019 diende verzoeker op 29 november 2019 een wrakingsverzoek in tegen de raadsheer die de zaak behandelde. Dit verzoek werd aangevuld op 4 december 2019. Diverse wrakingsverzoeken volgden, ook tegen de wrakingskamer zelf, die uiteindelijk buiten behandeling werden gelaten.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend, omdat het pas acht dagen na de raadkamerbehandeling werd ingediend zonder voldoende rechtvaardiging voor deze vertraging. Artikel 513 Sv Pro vereist dat een wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk wordt gedaan nadat de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.
De inhoudelijke gronden van het wrakingsverzoek betroffen vermeende vooringenomenheid van de raadsheer, het buiten beschouwing laten van een verzoek tot aanhouding van de zaak, en onjuiste vermelding in een tussenbeschikking. De raadsheer weerlegde deze punten uitvoerig in zijn schriftelijke reactie.
De wrakingskamer besloot daarom de verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in het wrakingsverzoek en kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling. De beslissing werd uitgesproken op 4 mei 2021 door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek wegens te late indiening.