Partijen zijn in 2006 gehuwd en in 2015 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, die sinds mei 2018 met de moeder in Turkije wonen. De vader heeft de Turkse nationaliteit, de moeder en kinderen hebben zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit. De vader verzocht de Nederlandse rechter om de kinderbijdrage te wijzigen of te laten vervallen, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd.
In hoger beroep betoogde de vader dat de Nederlandse rechter wel bevoegd was, omdat de kinderen onrechtmatig naar Turkije waren overgebracht en hun gewone verblijfplaats nog Nederland was bij indiening van het verzoek. De moeder stelde dat de kinderen inmiddels in Turkije geworteld zijn en de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd is.
Het hof oordeelde dat het Haagse Kinderontvoeringsverdrag niet van toepassing is op het verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage. De bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van de Alimentatieverordening (EG) nr. 4/2009. Gezien de feitelijke omstandigheden, waaronder het wonen, naar school gaan en sociale omgeving van de kinderen in Turkije, is hun gewone verblijfplaats daar gelegen. De Nederlandse rechter kan daarom geen bevoegdheid ontlenen aan de verordening.
Ook andere bevoegdheidsgronden, zoals forumkeuze of gemeenschappelijke nationaliteit, boden geen aanknopingspunten. Het hof verklaarde zich daarom onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en liet het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vrouw buiten beschouwing.