ECLI:NL:GHAMS:2021:1860
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in ontnemingsvordering bevestigd en zaak terugverwezen
Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene een geldbedrag van €716.602,66 zou worden ontnomen als wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in deze vordering omdat het strafbare feit waarvoor de betrokkene was veroordeeld niet werd bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Het hof heeft deze redenering verworpen en geoordeeld dat op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de ontnemingsvordering, ongeacht de categorie van de geldboete die op het strafbare feit staat. Bovendien is de betrokkene in hoger beroep ook veroordeeld voor witwassen, een misdrijf dat wel met een geldboete van de vijfde categorie wordt bedreigd.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland voor een inhoudelijke beoordeling van de ontnemingsvordering. De verdediging had om terugwijzing verzocht, hetgeen het hof heeft gehonoreerd.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 maart 2021. Een van de rechters was verhinderd om mede te ondertekenen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de ontnemingsvordering en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.