ECLI:NL:GHAMS:2021:1859
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugwijzing ontnemingsvordering wegens ontvankelijkheidskwestie in hoger beroep
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van het onjuist doen van een wettelijke aangifte, wat leidde tot te weinig geheven rechten bij invoer.
De rechtbank had het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering, onder meer omdat het voordeel uitsluitend was verkregen door feiten strafbaar gesteld in de belastingwetgeving, waarvoor ontneming op grond van artikel 36e Sr niet mogelijk is. Daarnaast was een andere ontnemingsvordering afgewezen omdat het strafbare feit niet werd bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had verklaard voor het tweede onderzoek, omdat artikel 36e Sr ook toepassing vindt indien de veroordeelde is veroordeeld voor een strafbaar feit ongeacht de zwaarte daarvan. Het hof vernietigde het vonnis en wees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland om met inachtneming van het arrest opnieuw recht te doen.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens ontvankelijkheidskwesties van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering.