In deze zaak vordert appellant schadevergoeding van verzekeraar Scildon wegens schending van de precontractuele zorgplicht bij het aangaan van een pensioenverzekering met arbeidsongeschiktheidsdekking. Het hof bevestigt dat de verzekeraar de zorgplicht heeft geschonden, maar stelt vast dat appellant onvoldoende concreet heeft gesteld welke schade hij daadwerkelijk heeft geleden.
Appellant had in 1994 een pensioenverzekering met Plusdekking afgesloten en werd in 2003 volledig arbeidsongeschikt. Na de einddatum van de pensioenverzekering in 2010 ontstond een geschil over de uitkering van arbeidsongeschiktheidsrente tot 2015. Het hof oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij juiste informatie een andere verzekering zou hebben afgesloten die tot de gevorderde schade zou leiden.
De rechtbank had eerder een schadebedrag toegekend op basis van kansberekening, maar het hof wijst dit af omdat appellant zelf het scenario waarop die berekening was gebaseerd heeft uitgesloten. Ook de vordering tot vergoeding van juridische kosten wordt afgewezen omdat deze kosten niet voldoende aan appellant kunnen worden toegerekend.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het schadevergoeding toekende, wijst de meeste vorderingen af, veroordeelt Scildon tot terugbetaling van een bedrag dat appellant ten onrechte heeft betaald en veroordeelt appellant in de proceskosten van beide instanties.