ECLI:NL:GHAMS:2021:1686
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beslissing over zorgregeling en ondertoezichtstelling minderjarige in hoger beroep
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen ouders over de zorgregeling en een verzoek tot ondertoezichtstelling van hun minderjarige kind. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die de zorgregeling tussen hem en zijn zoon heeft beëindigd en het verzoek tot ondertoezichtstelling heeft afgewezen.
De feiten tonen aan dat sinds 2016 vrijwel geen contact is geweest tussen de man en de minderjarige, die in behandeling is bij een kinderpsycholoog vanwege posttraumatische stressklachten. De man stelt dat het contact met zijn zoon onterecht wordt verhinderd en dat ondertoezichtstelling noodzakelijk is vanwege ouderverstoting en bedreiging van de ontwikkeling van het kind. De vrouw benadrukt dat het kind geen contact wenst en dat hulpverlening wordt geaccepteerd.
Het hof overweegt dat het momenteel te vroeg is om een zorgregeling vast te stellen, omdat de minderjarige nog in therapie is en geen ruimte heeft voor contact met zijn vader. Het hof beveelt de raad aan eerst contact op te nemen met de psycholoog van de minderjarige en het onderzoek pas te starten als de therapie is afgerond of als de psycholoog ruimte ziet voor contact. De behandeling wordt aangehouden tot het rapport van de raad, uiterlijk 6 maart 2022.
Er is op dit moment geen directe noodzaak voor een ondertoezichtstelling en de raad kan het onderzoek uitbreiden indien nodig. De informatieregeling blijft van kracht en het hof adviseert de man ondersteuning te zoeken bij contacten met hulpverlening en school. De zaak wordt voorlopig aangehouden in afwachting van het advies van de raad.
Uitkomst: Het hof houdt de behandeling aan en bepaalt dat het raadsonderzoek pas start na afronding van de therapie van de minderjarige of na toestemming van zijn psycholoog.