ECLI:NL:GHAMS:2021:1663
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen wegens onveilige thuissituatie
In deze zaak staat de machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen centraal, die reeds sinds 2016 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) staan. De moeder oefent het gezag uit over de kinderen, waarvan twee uit een eerdere relatie zijn. De GI verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 29 juli 2021, hetgeen door de (stief)vader werd bestreden.
De (stief)vader betoogde dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar alternatieve hulpverlening en terugplaatsing, en dat de ouders inmiddels voldoende vooruitgang hadden geboekt om de kinderen weer thuis op te vangen. Hij stelde dat een uithuisplaatsing een laatste redmiddel is en dat het belang van de kinderen zwaarder moet wegen dan de noodzaak tot uithuisplaatsing.
De GI en de Raad voor de Kinderbescherming stelden daarentegen dat ondanks langdurige en intensieve hulpverlening de ouders onvoldoende veiligheid en stabiliteit kunnen bieden. Er zijn ernstige zorgen over huiselijk geweld, seksuele misbruikmeldingen en een patroon van terugkerende problematiek. De kinderen vertonen eigen problematiek en hebben baat bij rust en stabiliteit in hun huidige plaatsingen.
Het hof oordeelt dat de onveilige thuissituatie en de belangen van de kinderen zwaarder wegen dan het verzoek tot terugplaatsing. De hulpverlening heeft onvoldoende effect gehad en de ouders zijn onvoldoende leerbaar gebleken. Ook het voorstel om de kinderen gefaseerd thuis te plaatsen wordt niet in hun belang geacht. Het beroep van de (stief)vader wordt verworpen en de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de vier minderjarige kinderen wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de (stief)vader wordt afgewezen.