ECLI:NL:GHAMS:2021:164
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging samenleving en toewijzing huurrecht voormalige gezamenlijke woning
Partijen hadden een relatie van 2014 tot 2017 en huurden samen een woning. Na beëindiging van de relatie ontstond een geschil over wie het huurrecht van de woning mocht voortzetten. De vrouw vorderde dat zij het huurrecht zou krijgen, de man wilde dat hij dit recht behield.
De kantonrechter wees de vorderingen van de vrouw af en kende het huurrecht toe aan de man. De vrouw ging in hoger beroep en stelde onder meer dat haar financiële en sociale positie zwakker was, dat de woning te klein was voor de man en zijn kinderen, en dat de man haar had mishandeld.
Het hof oordeelde dat het belang van de man zwaarder weegt vanwege zijn uitgebreide zorg- en contactregeling met zijn twee kinderen, waarvan één minderjarig is. De vrouw kon onvoldoende aannemelijk maken dat zij het huurrecht moest krijgen. Ook de stelling dat de woning te klein was, werd niet gevolgd. De mishandeling was slechts deels bewezen en onvoldoende om de vordering van de vrouw te ondersteunen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en wees het hoger beroep van de vrouw af. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de vrouw af en bekrachtigt het vonnis dat bepaalt dat alleen de man het huurrecht van de woning voortzet.