ECLI:NL:GHAMS:2021:1517
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid man in hoger beroep tegen bevoegdheidsbeslissing rechtbank in echtscheidingszaak
In deze zaak is de man in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard om van het echtscheidingsverzoek van de vrouw kennis te nemen. De rechtbank had de behandeling aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep stond uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. De man stelde dat de beschikking een deelbeschikking was waartegen hoger beroep mogelijk is, omdat de rechtbank zijn verzoek om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren had afgewezen. De vrouw voerde geen verweer en vond het in het belang van beide partijen dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter nu wordt beslist.
Het hof oordeelde dat de bestreden beschikking een tussenbeschikking is, omdat de rechtbank niet door een uitdrukkelijk dictum een einde heeft gemaakt aan het geschil over een deel van het verzochte. De beschikking bevatte geen definitieve beslissing met een materieel rechtsgevolg. Volgens artikel 358 lid 4 Rv Pro kan tegen tussenbeschikkingen alleen tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders bepaalt, wat hier niet het geval was.
De man had binnen de beroepstermijn een verzoek kunnen indienen om tussentijds hoger beroep toe te staan, maar dit had hij niet gedaan. Daarom verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
De beschikking is op 18 mei 2021 door het hof in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de tussenbeschikking van de rechtbank.