Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[de moeder] ,
2. [de vader] ,
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
3.De omvang van het geschil
4.De verdere motivering van de beslissing
“Indien tot (terug)plaatsing bij de ouders wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen?[…].”De deskundige heeft op basis van haar onderzoek primair geadviseerd [de minderjarige] niet terug te plaatsen bij haar ouders. Daarmee is de voorwaarde (te weten thuisplaatsing) in vraag 8 niet ingetreden en was geen reden om deze vraag verder te beantwoorden. Het hof kan de door de deskundige gemaakte afweging volgen. Bij zijn oordeel zal het hof dan ook tevens het rapport van 8 december 2020 betrekken.
een zwakke centrale coherentie (moeite met het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, het zien van samenhang), problemen met de "theory of mind" (het vermogen om een beeld te vormen van jezelf, zodat je je kunt inleven in de emoties en gevoelens van een ander) en problemen in het executief functioneren (vaardigheden die je nodig hebt om te kunnen denken en doen, zoals bijvoorbeeld weten waarmee je moet beginnen, een plan kunnen maken, maar ook het vermogen om na te denken voor je iets doet en je eigen gedrag te sturen). Deze informatieverwerkingsproblematiek wordt ook tijdens het onderzoeksverloop herkend”, aldus het rapport. De moeder ervaart een grote lijdensdruk en vindt zich zowel in sociaal als emotioneel opzicht niet goed voldoen. Zij ervaart in hoge mate angsten, sombere gevoelens, dwangmatigheid, sociale onzekerheid, problemen met de realiteitstoetsing en lichamelijke klachten. Haar vaardigheden om deze problemen het hoofd te bieden zijn beperkt en zij kan overspoeld door emoties raken als gevolg van toenemende spanningen. In lijn met de ASS-problematiek van de moeder worden in het onderzoek vooral beperkingen gesignaleerd in haar mentaliserend vermogen en haar emotieregulatievaardigheden in relatie tot [de minderjarige] ; haar mogelijkheden om sensitief en responsief op [de minderjarige] te reageren maken in het onderzoek een beperkte indruk. Tussen de moeder en [de minderjarige] is er weliswaar een band, die positieve kenmerken heeft, maar die tegelijkertijd een bepaalde scheefgroei laat zien. De moeder sluit niet altijd automatisch en adequaat aan bij [de minderjarige] en op momenten is sprake van rolomkering. De pedagogische vaardigheden van de moeder zijn volgens de deskundige adequaat. Ingeschat wordt dat moeders persoonlijke problematiek maar ook de jarenlange uithuisplaatsing met wisselende contactfrequentie aan de beschreven affectieve beperkingen ten grondslag liggen. Moeders beeld van [de minderjarige] en haar vaardigheden zijn in de loop der jaren niet voldoende met [de minderjarige] ’s ontwikkeling en opvoedvraag ‘meegegroeid’.
Om gevoelens adequaat te kunnen duiden en uiten, is een zekere mate van abstract denken over jezelf noodzakelijk, een vaardigheid die bij mensen met beperkingen in het cognitieve vaardighedenprofiel minder goed ontwikkeld is. Controle- en reguleringsvaardigheden (onder andere coping, zelfsturing, begrenzing, emotie, geweten) zijn bij vader beperkt ontwikkeld en zullen al snel tekortschieten bij oplopende spanningen en stress. Er is op deze momenten een groot risico op acting-out gedrag en impulsiviteit. De vader is maar zeer beperkt in staat om via somatische kanalisatie en sociale contacten spanningen af te laten vloeien. Er is sprake van tegenafhankelijkheid en het weghouden van gevoelens, mogelijk om sociaal onvermogen en agressie weg te houden.”, aldus de deskundige. In het verleden heeft de vader gekampt met agressieregulatieproblematiek. Hiervoor heeft hij met succes therapie gevolgd.