ECLI:NL:GHAMS:2021:1477
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis inzake overlegging financiële bescheiden in echtscheidingsprocedure
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over alimentatiebetalingen voor vier minderjarige kinderen na hun scheiding. De vrouw is met de kinderen naar Israël verhuisd, terwijl de man in Nederland bleef wonen. De vrouw heeft een Israëlisch vonnis verkregen waarin de man werd veroordeeld tot betaling van alimentatie, maar de man heeft niet volledig betaald en stelt daartoe niet in staat te zijn.
De vrouw legde conservatoir derdenbeslag bij Nederlandse banken en verzocht de rechtbank Amsterdam om de man te veroordelen tot naleving van het Israëlische vonnis. De voorzieningenrechter oordeelde deels in het voordeel van de vrouw en veroordeelde de man tot overlegging van specifieke financiële bescheiden onder verbeurte van een dwangsom.
De man stelde in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis in, stellende dat hij niet over de gevraagde bescheiden beschikt en de dwangsommen onredelijk zijn. Het hof oordeelde dat het belang van de vrouw bij het verkrijgen van de bescheiden zwaarder weegt dan het belang van de man bij schorsing, en dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis.
De vordering tot schorsing werd afgewezen en de zaak werd verwezen voor verdere behandeling in de hoofdzaak. De beslissing over de proceskosten van het incident werd aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis tot overlegging van financiële bescheiden wordt afgewezen.