ECLI:NL:GHAMS:2021:1404
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over huurrecht voormalig echtelijke woning na echtscheiding
Partijen zijn in 2004 gehuwd en hun huwelijk is in 2020 ontbonden. De voormalige echtelijke woning ligt in [plaats A]. In eerste aanleg werd het huurrecht aan de vrouw toegewezen, die de beschikking kreeg nadat de man niet was verschenen.
De man kwam in hoger beroep en verzocht het huurrecht aan hem toe te wijzen, stellende dat hij alleen in de woning woont en geen alternatief verblijf heeft. De vrouw betwistte dit en stelde dat zij nog steeds deels in de woning verblijft en vanwege haar medische en psychische klachten belang heeft bij het huurrecht.
Het hof overwoog dat het belang van de man zwaarder weegt omdat hij geen alternatief verblijf heeft, terwijl de vrouw meerdere nachten per week elders verblijft. De medische verklaring van de vrouw was niet actueel genoeg om haar belang te versterken. De langdurige woningduur van de vrouw en het huwelijk maken haar belang minder zwaar.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en bepaalde dat de man met ingang van heden huurder is van de woning. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het huurrecht van de voormalig echtelijke woning toe aan de man en vernietigt de beschikking van de rechtbank.