ECLI:NL:GHAMS:2021:1152

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
26 april 2021
Zaaknummer
23-000680-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, tweede lid, Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken van grieven

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 april 2021 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 30 oktober 2019. Hoewel een brief van de raadsman in het dossier aanwezig was waarin werd vermeld dat hoger beroep was ingesteld, bevatte deze brief expliciet de mededeling dat er geen grieven kenbaar werden gemaakt.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de niet-gemachtigde raadsman nogmaals benadrukt dat er geen bezwaren tegen het vonnis werden ingediend. Er zijn ook geen mondelinge bezwaren geuit en er is geen rechtens te respecteren belang gebleken dat een onderzoek in hoger beroep zou rechtvaardigen.

Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk is behandeld en het vonnis van de politierechter in stand blijft.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000680-20
datum uitspraak: 19 april 2021
VERSTEK (raadsman niet gemachtigd)
Schriftelijk arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96-068567-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2021.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkend dat de verdachte met toepassing van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Weliswaar bevindt zich in het dossier een door de raadsman opgestelde brief van 13 mei 2020 waarin is vermeld ‘betreft: appèlschriftuur’ en dat hoger beroep is ingesteld om te onderzoeken of de verdachte terecht is veroordeeld en om te bezien of hem een passende straf is opgelegd, maar in die brief is echter ook met zoveel woorden opgenomen dat er ‘thans geen grieven kenbaar worden gemaakt’. Op die laatste passage heeft de (niet-gemachtigd) raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2021 nog eens nadrukkelijk de aandacht gevestigd.
Nu er evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en er ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 april 2021.