De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van cocaïne op Schiphol. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis om de bewijsoverweging te verduidelijken maar kwam tot dezelfde beslissing.
De verdachte werd betrapt met 21 pakketten cocaïne in zijn koffer (4.208,5 gram) en 30 bolletjes cocaïne in zijn lichaam (297 gram). Hij bekende kennis van de bolletjes, maar ontkende kennis van de kofferinhoud. Het hof oordeelde dat een reiziger verantwoordelijk is voor zijn bagage en dat de wisselende verklaringen van de verdachte onvoldoende waren om onwetendheid aan te nemen.
Gelet op de omstandigheden, waaronder het werk van de verdachte op Schiphol en zijn kennis van drugssmokkel, concludeerde het hof dat hij willens en wetens de cocaïne invoerde. De straf werd vastgesteld op 36 maanden gevangenisstraf, passend bij de ernst en hoeveelheid, met aftrek van voorarrest.