Uitspraak
1.[appellante sub 1] ,
mr. J. van der Steenhovente Amsterdam,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
mr. B. Breederveldte Alkmaar.
1.Het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
vraag 4. Vond u dat mevrouw in de maanden tussen de twee beoordelingen achteruit was gegaan?
‘I gave my report on good faith that the information I was receiving was accurate. There is however doubt regarding the level of accuracy and therefore places my opinion on insecure foundations. In the case of providing retrospective opinion of capacity, one relies entirely on the honesty and integrity of informants and the agreed validity of any reports or other materials. When these are called into question – as they are here – then one can only conclude that the opinion expressed in the report I wrote cannot to be seen as conclusive or indeed in its own right accurate. I would prefer therefore that this report be withdrawn from any further considerations (…).’Gelet op deze omstandigheden zal het hof aan de verklaring van Ritchie van 31 maart 2016 voorbij gaan.
waarschijnlijksprake is van forse cognitiestoornissen in het kader van een (vasculaire) dementie. Uit dit bericht volgt derhalve niet dat op 31 oktober 2011 de diagnose (vasculaire) dementie is gesteld. En hoewel zowel Hoijtink in november 2010 als Janse in november 2011 een zelfde beeld van erflaatster schetsen, was blijkens het deskundigenrapport de ernst van de door Hoijtink geconstateerde cognitieve stoornissen op dat moment beperkt. Ook spreekt Janse, zoals de deskundige ook opmerkt, niet van een diep demente vrouw. Volgens Scheltens (in zijn in overweging 3.11 van het tussenarrest van 9 mei 2017 aangehaalde brief van 6 maart 2017) is voorts een MMSE score van 1 dermate laag, dat deze erg onwaarschijnlijk is voor iemand die toen nog thuis woonde. Scheltens wijst erop dat uit het huisartsenjournaal naar voren komt dat erflaatster in de periode november-december 2011 vele malen een urineweginfectie had met bijbehorende verwardheid (hetgeen als een delirante episode moet worden geduid bij een patiënte bij wie de drempel voor een dergelijk delier verlaagd is), waarmee de wisselingen in het beloop heel goed zijn te verklaren en dat de MMSE van 1 als momentopname valt te duiden. De MMSE score kan daarom volgens Scheltens niet worden gebruikt om te beargumenteren dat er vier maanden daarvoor van wilsonbekwaamheid sprake moet zijn geweest.