Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind verlengde. De minderjarige is sinds april 2019 met spoed uit huis geplaatst vanwege zorgen over de veiligheid en opvoeding, mede veroorzaakt door alcoholproblemen en huiselijk geweld binnen het gezin.
De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en voert aan dat zij en de vader voldoende meewerken aan hulpverlening en dat de situatie verbeterd is. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming stellen echter dat de problemen structureel zijn, dat de ouders onvoldoende meewerken aan noodzakelijke hulpverlening en dat de veiligheid van het kind nog niet is gewaarborgd.
Het hof stelt vast dat ondanks enkele verbeteringen, zoals behandeling van de vader voor alcoholverslaving en deelname van de moeder aan cursussen, de situatie onvoldoende stabiel en veilig is voor de minderjarige. De weigering van de moeder om volledig mee te werken aan psychologisch onderzoek en hulpverlening leidt tot onduidelijkheid over de thuissituatie.
Het hof oordeelt dat de inbreuk op het recht op gezinsleven gerechtvaardigd en proportioneel is en bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 20 december 2019. Tevens wordt de GI geadviseerd alternatieve hulpverleningsmogelijkheden te onderzoeken.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 20 december 2019.