ECLI:NL:GHAMS:2020:707
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen vergoeding voorlopige hechtenis na vrijspraak
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam, waarin zijn verzoek tot vergoeding van schade en kosten in verband met voorlopige hechtenis en rechtsbijstand werd afgewezen. De rechtbank had appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat hij in de gevoegde strafzaken was veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken.
De raadsman van appellant voerde aan dat appellant was vrijgesproken van het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis had gezeten. Het hof overwoog dat de rechtbank een juiste uitleg had gegeven aan het begrip 'zaak' zoals bedoeld in artikel 89 oud Pro Sv, conform vaste jurisprudentie. Daarom werd het hoger beroep afgewezen.
Het hof vond ook geen gronden van billijkheid aanwezig om de kosten van het verzoek tot vergoeding toe te kennen, aangezien het verzoek nodeloos was ingediend. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 17 januari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot vergoeding wordt niet toegewezen.