Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2020:603

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2020
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
23-002338-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 77h SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering na meerdere winkeldiefstallen in vereniging

In deze zaak stond de ontnemingsvordering centraal tegen een minderjarige veroordeelde die meerdere winkeldiefstallen in vereniging pleegde. De kinderrechter had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €4406,35, maar legde een betalingsverplichting van slechts €750 op.

Het hof vernietigde het vonnis van de kinderrechter en herzag de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op basis van de feiten en de verdeling van de buit, waarbij de veroordeelde samen met mededaders handelde, schatte het hof het voordeel op €1906,35. Hierbij ging het hof uit van een pondspondsgewijze verdeling van de buit.

Gelet op de jonge leeftijd van de veroordeelde en zijn schoolgaande status stelde het hof de betalingsverplichting aan de Staat vast op €750, een bedrag dat redelijkerwijs met een bijbaan kan worden verdiend. De vordering voor het overige werd afgewezen. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 februari 2020.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1906,35 en legt een betalingsverplichting van €750 aan de veroordeelde op.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002338-19
datum uitspraak: 27 februari 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-053482-19 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van 4406,35 euro.
De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 juni 2019 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op 4406,35 euro en aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van 750,00 euro ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de veroordeling bij vonnis van gelijke datum voor:
  • twee diefstallen in vereniging bij de [winkel 1] op 10 februari 2018;
  • een diefstal in vereniging, met verbreking bij de [winkel 1] op 20 mei 2018 en
  • een diefstal in vereniging, met verbreking bij de [winkel 2] op 4 juni 2018.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. Op het hoger beroep in de strafzaak heeft het hof bij arrest van 27 februari 2020 beslist.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en diens raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof overeenkomstig de kinderrechter zal beslissen.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraken in de strafzaak, subsidiair dat de vordering moet worden afgewezen bij gebreke aan een deugdelijke onderbouwing. Meer in het bijzonder heeft de raadsman opgemerkt dat moet worden uitgegaan van de inkoopwaarde en niet van de verkoopwaarde van de goederen.
Overwegingen van het hof
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2020 onder parketnummer 23-002339-13 veroordeeld terzake van - kort gezegd- de twee diefstallen in vereniging bij de [winkel 1] op 10 februari 2018 en de diefstal in vereniging met verbreking bij de [winkel 1] op 20 mei 2018. Hij is vrijgesproken van de diefstal bij de [winkel 2] op 4 juni 2018.
Het hof gaat voorbij aan de stelling van de raadsman dat de ontnemingsvordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt daartoe als volgt. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat bij de verschillende diefstallen diverse kledingstukken zijn weggenomen. In de aangifte terzake de diefstallen op 10 februari 2018 staat vermeld dat er kledingstukken met een totale waarde van 2284,70 euro zijn weggenomen. In de aangifte terzake van de diefstal op 20 mei 2018 staat vermeld dat er kledingstukken met een geschatte waarde van 2000,00 euro zijn weggenomen. Het gaat hiermee om een totaalbedrag van 4284,70 euro.
Aan de stelling van de raadsman dat voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan moet worden van de inkoopwaarde van de goederen gaat het hof eveneens voorbij. Bepalend is het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft genoten en niet de door het winkelbedrijf geleden schade.
Uit het dossier volgt dat de veroordeelde de diefstallen op 10 februari 2018 met één mededader en de diefstal op 20 mei 2018 met twee mededaders heeft gepleegd. Nu de veroordeelde de feiten heeft ontkend staat over de verdeling van de buit niets vast. Het hof zal dan ook uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling en het wederrechtelijk verkregen voordeel, door respectievelijk de helft, zijnde 1142,35 euro, en een derde, zijnde 764,00 euro, aan de veroordeelde toerekenen. Dit betekent dat het hof het totaal door de veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schat op 1906,35 euro.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof zal voor de veroordeelde, gelet op zijn jonge leeftijd en het feit dat hij thans nog schoolgaand is, de verplichting tot betaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een bedrag dat hij binnen een redelijke termijn geacht kan worden te verdienen met een bijbaan. Het hof stelt deze verplichting vast op 750,00 euro.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36e en 77h van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
1906,35 euro (negentienhonderd en zes euro en vijfendertig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
750,00 euro (zevenhonderdenvijftig euro).
Het hof wijst de vordering voor het overige af.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Fetter, mr. L.I.M. van Bergen en mr. H. Durdu, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2020.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]