ECLI:NL:GHAMS:2020:3922
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot diefstal in vereniging bij bedrijfsinbraak
In hoger beroep is de verdachte terechtzitting verschenen wegens poging tot diefstal in vereniging bij een bedrijfsinbraak op 25 maart 2018 te Zaandam. De verdachte werd primair beschuldigd van het wegnemen van goederen uit een bedrijfspand, subsidiair van poging daartoe door het forceren van rolluiken en sloten.
Het openbaar ministerie vorderde een gevangenisstraf van drie maanden, onderbouwd met camerabeelden, overeenkomende signalementen, aangetroffen zaklamp en schoensporen die overeen zouden komen met die van de verdachte en zijn medeverdachte. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was om schuld vast te stellen.
Het hof oordeelde dat het bewijs niet voldeed aan de vereiste mate van zekerheid. De verdachte en zijn medeverdachte werden weliswaar in de buurt van het delict aangetroffen, maar er waren geen gestolen goederen bij hen gevonden en de camerabeelden en schoensporen boden onvoldoende zekerheid over hun aanwezigheid en betrokkenheid.
Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastelegging. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden. Beide partijen dragen hun eigen kosten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van poging tot diefstal in vereniging.