Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2020:3908

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2020
Publicatiedatum
7 mei 2021
Zaaknummer
23-004607-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 422 lid 2 SvArt. 27 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor invoer van 5466,5 gram cocaïne

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van circa 5466,5 gram cocaïne op 19 september 2019 te Schiphol. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd om proceseconomische redenen en heeft de zaak opnieuw beoordeeld.

Het hof acht het bewezen dat de verdachte de genoemde hoeveelheid cocaïne binnen het Nederlandse grondgebied heeft gebracht. De hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel, wat een bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.

De verdachte was niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Het hof heeft de straf bepaald aan de hand van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Gezien de hoeveelheid cocaïne en de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is een gevangenisstraf van 39 maanden het uitgangspunt. De rechtbank hield rekening met persoonlijke omstandigheden, maar het hof acht een gevangenisstraf van 37 maanden passend en geboden.

De opgelegde straf wordt verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, voor zover deze niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Het arrest is uitgesproken op 23 juni 2020 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 37 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van 5466,5 gram cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004607-19
datum uitspraak: 23 juni 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer
15-226154-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1967,
[adres],
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5466,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische reden worden vernietigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 september 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 5466,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk invoeren van cocaïne. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van harddrugs en de handel daarin gaan gepaard met allerlei soorten van gebruikerscriminaliteit en vormen – gelet op de schadelijkheid voor personen – een bedreiging voor de volksgezondheid.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 mei 2020 is hij niet eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de invoer van hoeveelheden harddrugs van 5.000 tot 6.000 gram wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 38 tot 40 maanden genoemd. Het hof neemt, gelet op de bewezenverklaarde hoeveelheid, een gevangenisstraf voor de duur van 39 maanden als uitgangspunt. De rechtbank was van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder de gezondheidssituatie van zijn vrouw, aanleiding gaven hiervan in het voordeel van de verdachte af te wijken. In hetgeen door en namens de raadsman is aangevoerd, ziet het hof geen termen voor een verdere strafvermindering. Het hof realiseert zich dat de verdachte bij de op te leggen gevangenisstraf nog enige tijd gedetineerd zal zijn, maar de invoer van een hoeveelheid cocaïne als de onderhavige maakt dat het hof niet kan volstaan met een lagere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
37 (zevenendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. B. van der Werf, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 juni 2020.
mr. B. van der Werf is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]