In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van een hoeveelheid cocaïne van ongeveer 509 gram op Schiphol. De verdachte voerde aan geen weet te hebben gehad van de cocaïne in haar rugtas en stelde psychische overmacht te hebben ervaren door een dreigend verzoek van een onbekende man in het vliegtuig.
Het hof achtte deze verweren ongeloofwaardig en verwierp ze. Het oordeel was gebaseerd op het uitgangspunt dat iemand bekend is met de inhoud van zijn bagage, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt, wat hier niet het geval was. De verdachte kon geen aannemelijke verklaring geven voor de aanwezigheid van de cocaïne in haar rugtas, die zij alleen voor de reis gebruikte.
De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne bestemd voor handel, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar motivatie tot gedragsverandering en begeleiding door het Leger des Heils.
De wettelijke grondslag van het vonnis is gelegen in de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 23 juni 2020.