ECLI:NL:GHAMS:2020:3397
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- A. van Haeringen
- A.V.T. de Bie
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag ouders en toekenning gezag aan vader
De man en vrouw zijn in 2002 gehuwd en hebben een minderjarige dochter geboren in 2007. Na hun scheiding in 2019 is het gezamenlijk gezag over het kind beëindigd en aan de man toegekend door de rechtbank. De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
De vrouw betoogde dat de gronden voor beëindiging van het gezamenlijk gezag niet aanwezig zijn en dat de relatie tussen haar en het kind liefdevol was. Zij stelde dat de man het contact tussen haar en het kind belemmerde. De man stelde dat het kind klem en verloren was geraakt tussen de ouders en dat de vrouw zich schuldig had gemaakt aan incidenten die het welzijn van het kind schaadden, waaronder ontvoering vanuit school en bedreiging van een jeugdbeschermer.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, omdat gezamenlijk gezag niet mogelijk was door het ontbreken van enige communicatie tussen de ouders. Het hof oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind was, omdat het kind klem en verloren zou raken bij voortzetting. De rechtbank heeft de man terecht alleen met het gezag belast. Het beroep van de vrouw op artikel 8 EVRM Pro faalde.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en droeg zorg voor de registratie van het gezag in het centraal gezagsregister.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de vader toegekend.