Partijen zijn in 1997 gehuwd en in 2019 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, waarvan één jongmeerderjarig en één minderjarig. De rechtbank had eerder kinderalimentatie vastgesteld op €252 per kind per maand en partneralimentatie op €606 per maand. De man kwam in hoger beroep tegen deze beslissingen en verzocht onder meer om verlaging van de alimentatie en een andere verdeling van schulden.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was om over de alimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te beslissen. De man werd ontvankelijk verklaard in zijn beroep, ondanks een eerdere akte van berusting. De draagkracht van de man werd uitgebreid beoordeeld aan de hand van zijn inkomsten, schulden en persoonlijke omstandigheden. Het hof concludeerde dat de man verwijtbaar inkomensverlies leed, maar dat hij een verdiencapaciteit had die een bijdrage van €252 per kind per maand rechtvaardigde tot 1 september 2020.
Vanaf 1 september 2020 werd de draagkracht van de man herzien op basis van zijn loon als kok en inkomsten uit een Egyptische onderneming, wat leidde tot een verlaging van de kinderalimentatie naar €127 per kind per maand en partneralimentatie naar €83 per maand. Het hof wees het verzoek van de man om de schulden bij helfte te verdelen af wegens onvoldoende onderbouwing dat het privé-schulden betrof. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de aard van de procedure en de relatie tussen partijen.