ECLI:NL:GHAMS:2020:3359

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 december 2020
Publicatiedatum
15 december 2020
Zaaknummer
23-001100-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs vernieling scooter in hoger beroep

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde vernielen van een scooter op 26 maart 2018.

De zaak draait om de vraag of de verdachte daadwerkelijk de scooter van de benadeelde heeft vernield. Uit het dossier blijkt dat de identiteit van de persoon die de scooter vernielde niet wettig en overtuigend is vastgesteld, omdat de politie de identiteit niet aan de hand van een officieel identiteitsbewijs heeft vastgesteld. De verdachte ontkende bovendien aanwezig te zijn op het moment van het incident.

De advocaat-generaal vorderde vrijspraak, en het hof volgde dit standpunt. Omdat de verdachte niet schuldig is verklaard, verklaarde het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding van €1.527,00. Het hof bepaalde dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van vernieling van de scooter.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001100-20
datum uitspraak: 14 december 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-204221-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2020.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de identiteit van de persoon die op 26 maart 2018 in Amsterdam de scooter van [benadeelde] heeft vernield op basis van het voorliggende dossier niet met de voor bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Daarbij is in het bijzonder van belang dat uit het dossier niet blijkt dat de identiteitsgegevens van de persoon die door de politie is aangesproken nadat de scooter was omgegooid en toen kennelijk de personalia van de verdachte heeft opgegeven, zijn vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs of een ander relevant (officieel) document, terwijl de verdachte zelf steeds heeft ontkend dat hij op dat moment ter plaatse is geweest. Aldus kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het de verdachte is geweest die het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.527,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en mitsdien in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in diens vordering moet worden verklaard.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 30 november 2018 (CJIB-nummer 8132 5420 0343 2721).
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 december 2020.
=========================================================================
[…]