Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
1. Partijen onder initiatief van Wasa gezamelijk het project “Wasa Student Village”, een semi permanent huisvestingsproject voor 10 jaar met 348 studentenkamers en circa 450 m² horeca en omliggen terreinen, hebben ontwikkeld
2. Wasa de gronden, aan de [adres] , benodigd voor de realisatie van het project tot zijn beschikking heeft gekregen van de gemeente Amsterdam en, dat deze gronden geschikt zijn voor het voorgenomen project;
3. Wasa deze gronden bouw- en woonrijp maakt inclusief benodigde funderingen en NUTS aansluitingen voor de opstallen;
4. De Meeuw in opdracht van Wasa de opstallen heeft ontworpen inclusief een bouwaanvraag;
5. Camelot de exploitatie en het beheer voor 10 jaar van het Project ter hand neemt en hiervoor een verhuurgarantie afgeeft;
6. De Meeuw gaat deze opstallen realiseren en extern financieren op basis van de verhuurgarantie in samenwerking met een nader te bepalen financierder;
7. Partijen gezamenlijk hebben vastgesteld dat het project haalbaar is,
1. Partijen de realisatie en exploitatie van het Project gaan vastleggen in een turnkey overeenkomst.
2. Partijen deze turnkey overeenkomst binnen 3 weken na ondertekening van deze projectovereenkomst gereed hebben en rechtsgeldig ondertekend hebben.
3. Partijen direct na ondertekening alles in het werk stellen het project te realiseren voor exploitatie uiterlijk 31 januari 2017.
(…)
(…)
3.Beoordeling
conveniërendzouden zijn. Een onvoorwaardelijke toezegging dat het pandrecht kon vervallen valt hierin niet te lezen. De inhoud van de opzeggingsbrief van Wasa (in het citaat onder 2.s de vierde alinea van onderen) wijst erop dat partijen inderdaad iets dergelijks hebben besproken, maar dat dit kennelijk niet verder is geconcretiseerd. Bovendien vertoonde De Meeuw zich niet bereid en/of in staat de eisen met betrekking tot de overdracht van een aandeel in Wasa en de duur van het pandrecht op de aandelen in en/of de vorderingen van Wasa te laten vallen. Het enkele feit dat De Meeuw op verzoek van de advocaat van Wasa een memorandum heeft opgesteld waarin zij “voor discussiedoeleinden” de gewenste invulling van het pandrecht heeft gespecificeerd, toont die bereidheid ook niet aan. De Meeuw was weliswaar geenszins verplicht te ‘bewegen’, maar zij liep dan wel het risico dat de onderhandelingen zouden stranden.