ECLI:NL:GHAMS:2020:3049
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in familierechtelijke voogdijzaak wegens verstrijken beroepstermijn
In deze civiele zaak in het personen- en familierecht heeft de tante hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen werd beëindigd en de William Schrikker Stichting tot voogd werd benoemd. De tante, als belanghebbende, was in eerste aanleg verschenen maar ontving geen afschrift van de beschikking.
De tante stelde dat zij pas op 14 april 2020 van de beschikking op de hoogte was geraakt en daarom tijdig op 9 juli 2020 hoger beroep had ingesteld. Het hof onderzocht de toepasselijkheid van artikel 806 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering, dat bepaalt dat belanghebbenden binnen drie maanden na betekening of bekendwording van de beschikking beroep kunnen instellen.
Het hof oordeelde dat omdat de tante in eerste aanleg was verschenen, de beroepstermijn van drie maanden vanaf de datum van uitspraak (4 maart 2020) geldt, ongeacht het ontbreken van een afschrift. De tante was dus te laat met haar beroep. Het hof verklaarde haar daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep en handhaafde de beschikking van de rechtbank.
De mondelinge behandeling betrof uitsluitend de ontvankelijkheid, waarbij de tante wel verscheen met advocaat, maar de ouders, de voogd en de raad niet. De beslissing werd op 3 november 2020 openbaar uitgesproken door het hof.
Uitkomst: De tante werd niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens het verstrijken van de beroepstermijn.