ECLI:NL:GHAMS:2020:2971
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap met onroerende zaken in Iran en Nederland
Partijen zijn in 2002 in Iran gehuwd en hadden de Iraanse nationaliteit, waarbij de man tevens de Nederlandse nationaliteit bezat. Na de echtscheiding in Nederland en Iran ontstond discussie over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name over de toedeling van een woning in Nederland en panden in Iran.
De rechtbank had geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime aanvankelijk door Iraans recht werd beheerst en vanaf 2 april 2003 door Nederlands recht, waarbij alleen de na die datum verworven activa en schulden tot de gemeenschap behoren. De woning in Nederland viel buiten de gemeenschap, terwijl de panden in Iran wel tot de gemeenschap behoorden. De vrouw werd veroordeeld tot betaling van €110.000 wegens overbedeling.
De vrouw voerde hoger beroep aan tegen de verdeling en de waardering van de panden, maar het hof verwierp haar grieven. Het hof oordeelde dat geen rechtsgeldige rechtskeuze voor Nederlands recht was gemaakt en dat de woning in Nederland niet tot de gemeenschap behoorde. De WhatsApp-berichten en volmachten ondersteunden de stelling van de man dat de panden in Iran zouden worden verkocht en de opbrengst verdeeld. De waarde van de panden werd vastgesteld op €110.000 per stuk, en de vrouw werd veroordeeld tot betaling wegens overbedeling. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de woning in Nederland buiten de gemeenschap valt en de panden in Iran aan de vrouw worden toegedeeld met een overbedelingsverplichting van €110.000.