ECLI:NL:GHAMS:2020:289
Gerechtshof Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening omgangsregeling bij machtiging uithuisplaatsing
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige zoon werd verleend. Zij verzocht bij het hof om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, waarbij zij meer omgang met haar zoon wilde dan de door de gecertificeerde instelling (GI) vastgestelde omgang van één uur per maand onder begeleiding.
De GI verzocht het verzoek van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen. Tijdens de mondelinge behandeling waren naast de moeder en haar advocaat ook vertegenwoordigers van de GI, de raad voor de kinderbescherming en het pleegzorgbureau aanwezig. Het pleeggezin was niet verschenen.
Het hof oordeelde dat de omgangskwestie zeer binnenkort in een bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam zal worden behandeld, waarbij ook een beslissing zal volgen. Het belang van de moeder bij een voorlopige voorziening in deze hoger beroepsprocedure, die alleen over de machtiging tot uithuisplaatsing gaat, weegt daarom onvoldoende zwaar. Tevens is het onwenselijk dat twee beslissingen over dezelfde omgangsregeling gelijktijdig van kracht zijn.
Een aanvullend verzoek van de moeder om haar zoon bij haar te laten wonen tot het hof in de hoofdzaak beslist, werd door het hof buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het hof wees het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af wegens spoedige bodemprocedure over dezelfde kwestie.