ECLI:NL:GHAMS:2020:2690

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 september 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
200.278.412/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag van de moeder over de minderjarige na ernstige bedreigingen in de ontwikkeling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 22 september 2020 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van het gezag van de moeder over haar minderjarige kind, hierna te noemen [de minderjarige]. De moeder, die in hoger beroep was gekomen tegen een eerdere beschikking van de kinderrechter, was belast met het gezag over [de minderjarige], maar dit gezag was door de kinderrechter beëindigd en de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (GI) was benoemd tot voogd. De moeder had eerder al gezag over haar andere kinderen verloren en verkeerde in een zorgelijke situatie, gekenmerkt door huiselijk geweld, alcohol- en drugsgebruik, en financiële problemen. Ondanks haar verzoek om het gezag te behouden, oordeelde het hof dat de moeder niet in staat was om de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen binnen een aanvaardbare termijn. Het hof concludeerde dat de huidige opvoedsituatie bij de pleegouders in het belang van [de minderjarige] was en dat de onzekerheid over zijn toekomstperspectief moest worden weggenomen. De moeder was niet verschenen op de zitting en had geen stabiele woonplaats, wat haar onbereikbaarheid en de noodzaak van de gezagsbeëindiging onderstreepte. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de kinderrechter en sprak de hoop uit dat de moeder de hulp zou aanvaarden die zij nodig had om in de toekomst contact met haar kinderen te kunnen hebben.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.278.412/01
Zaaknummer rechtbank: C/15/293705/ FA RK 19-5321
beschikking van de meervoudige kamer van 22 september 2020 inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D.E. Post te Heerhugowaard,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als (overige) belanghebbenden zijn aangemerkt:
- de minderjarige [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] );
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de GI).

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna: de kinderrechter) van 25 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 5 mei 2020 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 25 februari 2020.
2.2
De raad heeft op 12 juni 2020 een verweerschrift ingediend.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- mr. J.J.C. Engels, kantoorgenote van mr. Post voornoemd;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw R.N. Planting.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De GI heeft als gevolg van een kennelijk misverstand haar standpunt evenmin ter zitting kenbaar kunnen maken.

3.De feiten

3.1
Verzoekster is de moeder van [de minderjarige] , geboren [in] 2019, te [geboorteplaats] . De moeder was belast met het gezag over [de minderjarige] , maar sinds de datum van de bestreden beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, oefent de GI het gezag uit over [de minderjarige] .
De moeder heeft uit (twee) relaties nog vijf minderjarige kinderen te weten:
- [kind A] , geboren [in] 2003;
- [kind B] , geboren [in] 2005;
- [kind C] , geboren [in] 2014;
- [kind D] , geboren [in] 2016;
- [kind E] , geboren [in] 2017.
[kind A] , [kind B] , [kind C] , [kind D] en [kind E] wonen allen in een voorziening voor pleegzorg en het gezag van de moeder over hen is beëindigd.
3.2
Bij beschikking van de kinderrechter van 25 juni 2019 is (de toen nog ongeboren) [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 25 juni 2020.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 28 augustus 2019 is een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in het ziekenhuis/ in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 28 augustus 2019 voor de duur van vier weken.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 6 september 2019 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een ziekenhuis en vervolgens in een voorziening voor pleegzorg, tot 25 juni 2020.
3.5
Voornoemde beschikkingen van de kinderrechter van 28 augustus 2019 en 6 september 2019 zijn bij beschikking van dit hof van 4 februari 2020 bekrachtigd.
3.6
[de minderjarige] verblijft sinds de uithuisplaatsing tezamen met zijn broertje [kind E] in een gezinshuis.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd, met benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] .
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de raad tot beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] alsnog af te wijzen.
4.3
De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
5.2
In het beroepschrift stelt de moeder – en aanvullend de advocaat namens de moeder ter zitting – dat de kinderrechter ten onrechte het gezag van de moeder over [de minderjarige] heeft beëindigd, waartoe zij heeft aangevoerd dat de beëindiging van het gezag van de moeder te prematuur is. De snelle gang van zaken doet haar veel verdriet en zij ervaart dat de GI haar iedere kans om een rol te spelen in het leven van [de minderjarige] heeft ontnomen. De moeder kan thans instemmen met de huidige plaatsing van [de minderjarige] en zal zich niet verzetten tegen jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Zij zal [de minderjarige] alles bieden wat hij nodig heeft door haar gezag in goede zin te gebruiken. Zij is in staat om gezaghebbende ouder op afstand te zijn. Onder deze omstandigheden heeft [de minderjarige] zekerheid over zijn opvoedperspectief en kan worden volstaan met een lichtere maatregel, waardoor de moeder gezaghebbende ouder kan blijven. Zij wenst betrokken te blijven bij de (beslissingen over de) verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
Voorts heeft de advocaat van de moeder meegedeeld dat de moeder een maand geleden telefonisch contact met haar heeft opgenomen. Het gaat naar eigen zeggen iets beter met haar. Zij verblijft nu niet meer in het kraakpand maar in het trainingshuis DNO (dag- en nacht opvang) in [plaats] .
De moeder is op de hoogte van de zitting, maar ondanks het aanbod van de advocaat om met haar mee naar de zitting te komen, is zij niet verschenen en onbereikbaar, aldus de advocaat van de moeder.
5.3
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en heeft – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Er is sprake van een zeer trieste situatie. De moeder houdt van haar kinderen, maar zij valt steeds terug in dezelfde destructieve gedragspatronen. De moeder is zich bewust van het feit dat zij [de minderjarige] geen veilige thuissituatie kan bieden en zij staat daarom ook volledig achter zijn uithuisplaatsing, de ondertoezichtstelling en de verlengingen hiervan. De moeder wenst echter wel het gezag over [de minderjarige] te behouden. Een gezaghebbende ouder heeft de verantwoordelijkheid om geïnformeerde beslissingen te nemen over een kind. Omdat de moeder zeer regelmatig niet beschikbaar en niet bereikbaar is, kan het gezag over [de minderjarige] niet bij haar liggen zonder een ondertoezichtstelling. Echter, een ondertoezichtstelling kan niet oneindig worden verlengd en is in dit geval ook geen geëigende maatregel nu een thuisplaatsing niet meer aan de orde is en het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Derhalve is er geen andere keuze dan de gezagsbeëindigende maatregel. [de minderjarige] heeft recht op duidelijkheid en zekerheid dat hij in veiligheid mag opgroeien, aldus de GI.
5.4
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is ten aanzien van de moeder gebleken van aanhoudend huiselijk geweld met haar (ex-)partner, alcohol- en drugsgebruik, financiële problemen en pedagogisch onverantwoord gedrag. Al voor de geboorte van [de minderjarige] is het gezag van de moeder over haar vier oudste kinderen beëindigd. Inmiddels is ook haar gezag over [kind E] beëindigd. Als ongeboren baby is [de minderjarige] onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Uit de informatie van de GI, zoals weergegeven op pagina 2 van het verweerschrift van de raad, is gebleken dat het zeer moeilijk is om in contact te komen met de moeder. Zij is zorg mijdend en heeft geen stabiele, vaste verblijfplaats. Door de onbereikbaarheid van de moeder kon onder andere geen identiteitskaart voor [de minderjarige] worden geregeld. De Brijder heeft de GI op 29 april 2020 laten weten dat de moeder samen met de heer [X] , haar (ex-)partner, in een leegstaand pand verblijft en door hem structureel ernstig wordt mishandeld. De moeder staat bovenaan een wachtlijst voor trainingshuis DNO, maar lijkt geen stappen te kunnen zetten om hiervan gebruik te maken.
Uit informatie van de gezinshuisouders, zoals weergegeven op pagina 4 van het verweerschrift van de raad, blijkt dat [de minderjarige] nog steeds de achterstand van zijn vroeggeboorte door het gebruik van middelen door de moeder tijdens de zwangerschap aan het inhalen is. [de minderjarige] is nog te licht en te klein en krijgt hiervoor speciale voeding. Zelfstandig zitten lukt nog niet en hij reageert op plotselinge geluiden en vreemde acute veranderingen. De moeder heeft [de minderjarige] eenmaal bezocht, in september 2019. Sinds december 2019 krijgen de gezinshuisouders geen contact meer met haar.
5.5
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de moeder niet, althans onvoldoende in staat is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is genoegzaam gebleken dat plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder feitelijk niet meer aan de orde is en dat zijn perspectief bij de pleegouders ligt. Gelet hierop en gezien de duur van de uithuisplaatsing, waarbij hij al vanaf zijn geboorte uit huis is geplaatst en in het huidige pleeggezin opgroeit, moet worden geoordeeld dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is dan in beginsel niet langer de geëigende maatregel, aangezien hierbij de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduurt. Het feit dat de moeder thans instemt met de plaatsing van [de minderjarige] in het huidige pleeggezing, is niet voldoende om die onzekerheid weg te nemen. Aan het belang van [de minderjarige] bij continuïteit van zijn huidige opvoedingssituatie dient onder de huidige omstandigheden zwaarwegende betekenis te worden toegekend. [de minderjarige] woont vrijwel zijn hele leven in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin, waar zijn oudere broer [kind E] ook woont, en is gehecht aan de pleegouders. [de minderjarige] heeft, door de opgelopen ontwikkelingsachterstand door het middelengebruik van de moeder tijdens de zwangerschap, specifieke opvoedbehoeften en is gebaat bij de structuur van het pleeggezin. Ook is de samenwerking tussen de pleegouders en de GI goed. Gelet op de afwezigheid en onbereikbaarheid van de moeder kan niet worden uitgesloten dat niet alleen nu maar ook in de toekomst moeilijkheden ten aanzien van de uitoefening van het gezag kunnen optreden. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van [de minderjarige] dat de stabiliteit in de huidige opvoedsituatie behouden blijft, dat onzekerheid over zijn toekomstperspectief wordt weggenomen en dat duidelijk wordt wie de opvoedbeslissingen over hem neemt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van de moeder om betrokken te blijven bij de gezagsbeslissingen over [de minderjarige] .
5.6
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de gronden in artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan en dat de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] terecht en op goede gronden heeft beëindigd. Hetgeen namens de moeder in hoger beroep is aangevoerd, brengt, zoals uit het voorgaande volgt, in dit oordeel geen verandering. Het hof zal het hoger beroep van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.7
Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Duidelijk is dat de situatie van de moeder buitengewoon zorgelijk is. Zowel de advocaat van de moeder als de raad hebben dit ter zitting nog eens benadrukt. De raad heeft daarbij naar voren gebracht dat verscheidene hulpverleners, waaronder de voogd, zich intensief om de situatie van de moeder hebben bekommerd en hebben geprobeerd haar de hulp te bieden die zij nodig heeft om aan haar uitzichtloze situatie te ontkomen. Ook de advocaat heeft zich voor de moeder ingespannen. Dit alles is tot op heden helaas zonder resultaat gebleven, onder meer omdat de moeder heel moeilijk bereikbaar is.
Het hof rest niets anders dan hier de hoop uit te spreken dat de moeder de kracht en de motivatie vindt om de haar geboden hulp te aanvaarden teneinde, waar mogelijk, in het belang van de kinderen weer contact met hen te krijgen en voor hen de moeder op afstand te worden die zij graag wil zijn.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. J.M. van Baardewijk en
mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier, en is op 22 september 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.