Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd sinds 2014 en gescheiden per 15 juli 2019. De man werkt als financial director met een bruto inkomen van circa €153.328 per jaar exclusief een eenmalige beëindigingsvergoeding. De vrouw was visagiste met een eigen onderneming, die zij vanwege gezondheidsproblemen heeft beëindigd.
De vrouw vordert een hogere partneralimentatie dan door de rechtbank vastgesteld, stellende dat haar verdiencapaciteit beperkt is door gezondheidsklachten. De man betwist haar arbeidsongeschiktheid en stelt een lagere behoefte en draagkracht vast. Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende bewijs levert van volledige arbeidsongeschiktheid, maar acht een verdiencapaciteit van €1.025,55 netto per maand redelijk.
De behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op basis van de hofnorm, waarbij het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 als uitgangspunt wordt genomen, exclusief de niet-structurele beëindigingsvergoeding. Dit leidt tot een netto behoefte van €4.243 per maand in 2019, waarvan na aftrek van de verdiencapaciteit een aanvullende behoefte van €3.218 overblijft. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €4.563 per maand vanaf 15 juli 2019 en €3.758 vanaf 1 januari 2020.
De alimentatieduur wordt vastgesteld op vijf jaar, conform het verzoek van de vrouw, waarbij het hof geen aanleiding ziet tot verdere beperking. Het hof vernietigt de eerdere beschikking voor zover die de hoogte en duur van de alimentatie betreft en bepaalt de alimentatiebedragen en duur zoals hierboven vermeld. Veroordeling in proceskosten wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bepaalt de partneralimentatie op €4.563 per maand tot 1 januari 2020 en €3.758 per maand tot 15 juli 2024 met een duur van vijf jaar vanaf 15 juli 2019.