Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
13. Relatiebeding
Het is werknemer niet toegestaan, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever, binnen een tijdsbestek van twee jaar na beëindiging van het dienstverband direct of indirect, zowel voor eigen rekening als voor derden, in enigerlei vorm activiteiten te verrichten op een terrein gelijk of gelijksoortig aan of anderszins concurrerend met die van werkgever of aan werkgever gelieerde ondernemingen ten behoeve van en/of ter verwerving van bestaande relaties van werkgever of aan werkgever gelieerde ondernemingen, dan wel ten behoeve en/of ter verwerving van relaties die de twee jaar voorafgaand aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst relatie zijn geweest. Het begrip relatie dient hierbij in de ruimste zin des woords te worden uitgelegd, een en ander ter beoordeling door de directie van werkgever.
15. Boetebeding
Bij overtreding van het bepaalde in de artikelen 11, 12, 13 en/of 14, zal werknemer zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, per overtreding een boete ten behoeve van werkgever verbeuren ten bedrage van één bruto periodesalaris, onverminderd het recht van werkgever om in plaats van de boete volledige schadevergoeding te vorderen. Hiermee wordt uitdrukkelijk afgeweken van het bepaalde in artikel 7:650 leden Pro 3 t/m 5 BW. De boete zal worden verhoogd met € 1000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.”
3.Beoordeling
grief 1, die gericht is tegen de overwegingen 4.2 en 4.3 van het eindvonnis, betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte bewijs heeft toegelaten dat door Gourmet – door middel van het onderzoek van [X] en DI – onrechtmatig is verkregen. De rechtbank heeft in dit verband, kort gezegd, overwogen dat in het midden kan blijven of voormelde bewijsverkrijging onrechtmatig is omdat uitsluiting van bewijs, ook als dat onrechtmatig is verkregen, slechts gerechtvaardigd is indien zich bijkomende omstandigheden voordoen, hetgeen volgens haar in deze zaak niet het geval is.
grief 2poneert [appellant] in hoger beroep een nieuwe stelling, te weten dat het boetebeding nietig is op grond van art. 7:650 leden Pro 3 en 6 BW. Omdat in het boetebeding niet is opgenomen dat is afgeweken van het bij eerstgenoemde wetsbepaling gestelde vereiste dat de overeenkomst de bestemming van de boete nauwkeurig vermeldt, zijn partijen niet rechtsgeldig van die wetsbepaling afgeweken, zo meent [appellant] .
grief 4komt [appellant] op tegen de overwegingen 4.14 tot en met 4.19 van het eindvonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] tien keer het relatiebeding en/of het geheimhoudingsbeding heeft geschonden door het versturen van (zes)
WhatsAppberichten aan Aldi Nord GmbH (verder: Aldi Nord), op 29 maart 2017, 11 april 2017, 20 april 2017, 23 mei 2017, 29 mei 2017 en 31 mei 2017 en door het versturen van vier e-mails, twee aan het Bundesamt für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit (verder: BVL), beide op 29 mei 2017, een aan het Zweedse bedrijf Kalmar Ölands Trädgårdsprodukter (Kotp) op 10 augustus 2017 en een aan Takii Europe B.V. op 19 september 2017, alsmede, dat [appellant] op grond daarvan een bedrag van € 65.000,00 (tien keer € 6.500,00) aan boetes heeft verbeurd.
WhatsAppberichten het geheimhoudingsbeding heeft geschonden ontoelaatbaar is teruggekomen van een in (overweging 5.3 van) het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing, te weten dat het bij deze berichten – blijkens de akte van 27 oktober 2017 waarbij Gourmet haar vordering in verband met onder meer deze berichten heeft gewijzigd – vooral gaat om door Gourmet gestelde schendingen van het relatiebeding en om onrechtmatig handelen van [appellant] door het zwart maken van Gourmet, en niet op gestelde schendingen van het geheimhoudingsbeding. Het hof verwerpt dit betoog. Wat de rechtbank ter zake in het tussenvonnis heeft overwogen, heeft uitsluitend betrekking op de door Gourmet in het incident ingestelde vordering op grond van art. 843a Rv en niet op de (al dan niet) verschuldigdheid van de door Gourmet (in de hoofdzaak) te dezen gevorderde boetes. Ten aanzien van deze laatste vordering heeft de rechtbank in het tussenvonnis (dan ook) niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. Verder verwijt [appellant] de rechtbank dat zij met het voormelde oordeel in het eindvonnis buiten de rechtsstrijd is getreden omdat Gourmet – zo meent [appellant] – de in verband met die berichten gevorderde boete niet op schending van het geheimhoudingsbeding maar uitsluitend op schending van het relatiebeding en op onrechtmatige daad heeft gebaseerd. Ook dit verwijt is niet terecht. In genoemde akte stelt Gourmet immers (onder de punten 2 en 3) dat [appellant] “in strijd met zijn relatiebeding en/of geheimhoudingsbeding” Aldi Nord en BVL heeft benaderd en dat zij in verband daarmee haar eis vermeerdert/wijzigt. Bovendien heeft Gourmet, zoals zij in appel ook opmerkt, in haar akte van 12 februari 2019 (sub 6) gesteld dat [appellant] “zijn (voor)kennis van Gourmet en haar relaties (gebruikt), met als doel Gourmet zwart te maken ten behoeve van zichzelf en/of werving van relaties, waarmee de schending van zowel het geheimhoudingsbeding als het relatiebeding vast staat”. Gourmet heeft zich derhalve ten aanzien van de onderhavige
WhatsAppberichten wel degelijk (ook) op schending door [appellant] van het geheimhoudingsbeding beroepen.
WhatsAppberichten respectievelijk de twee door hem aan BVL gestuurde e-mails gezamenlijk telkens als één overtreding moeten worden gekwalificeerd omdat het slechts om het onderhouden van contact met één partij gaat, wijst het hof van de hand. [appellant] heeft immers op zes onderscheidenlijk twee verschillende momenten (de
WhatsAppberichten zelfs op zes verschillende data), door evenzoveel berichten met een verschillende inhoud, het geheimhoudingsbeding en/of relatiebeding geschonden door een hem op grond van de arbeidsovereenkomst met Gourmet niet toegestaan bericht te verzenden. Dat al deze berichten naar dezelfde partijen, Aldi Nord en BVL, zijn gegaan, doet daaraan niet af.
grief 6betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte niet tot het leveren van (tegen)bewijs heeft toegelaten. Wat daarvan zij, in appel heeft [appellant] geen voldoende concrete stellingen geponeerd en te bewijzen aangeboden die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden dan uit al het voorgaande voortvloeit. Het in hoger beroep door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt dan ook als niet ter zake dienend verworpen. De grief mist doel.