ECLI:NL:GHAMS:2020:2386

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 september 2020
Publicatiedatum
2 september 2020
Zaaknummer
200.245.715/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbetering arrest kostenveroordeling in hoger beroep tegen ING Bank

In deze zaak ging het om een verzoek tot verbetering van een eerder arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2020, waarin appellant werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het hoger beroep aan ING Bank. ING stelde dat het in het arrest genoemde salarisbedrag onjuist was berekend omdat het hof slechts één punt had gehanteerd terwijl er sprake was van een comparitie na aanbrengen, wat twee punten rechtvaardigt.

Appellant verzette zich tegen dit verzoek en voerde aan dat het liquidatietarief niet bindend is en dat er geen sprake was van een kennelijke fout. Het hof oordeelde echter dat het liquidatietarief wel werd gevolgd maar dat de comparitie over het hoofd was gezien, waardoor sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig kon worden hersteld.

Het hof verbeterde daarom het arrest door het salarisbedrag te verhogen van € 759,- naar € 1.518,-, terwijl de verschotten ongewijzigd bleven op € 726,-. Deze verbetering werd op de minuut van het arrest gesteld en openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

Uitkomst: Het hof verbeterde het arrest door het salarisbedrag aan de zijde van ING te verhogen van € 759,- naar € 1.518,- wegens een kennelijke fout in de kostenberekening.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.245.715/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6186297 CV EXPL 17-17108
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2020
inzake
[appellant]
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.M. van Heest te Rotterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 7 juli 2020 een arrest uitgesproken.
Bij brief van 8 juli 2020 heeft mr. Van Heest zich namens ING op het standpunt gesteld dat het arrest een kennelijke fout bevat en herstel daarvan verzocht. Bij brief van 23 juli 2020 heeft mr. Roos zich namens [appellant] verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

2.Beoordeling

2.1
Het arrest van 7 juli 2020 vermeldt in het dictum dat [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep wordt veroordeeld en dat die kosten aan de zijde van ING worden begroot op € 759,- voor salaris (en € 726,- aan verschotten).
Het bedrag aan salaris is – voor een ieder kenbaar en zoals te doen gebruikelijk – begroot aan de hand van het liquidatietarief, waarbij het hof is uitgegaan van 1 punt en (overeenkomstig het uit het arrest blijkende belang van de zaak) tarief I. Het hof heeft daarbij over het hoofd gezien dat in deze zaak (naast een memoriewisseling) een comparitie na aanbrengen is gehouden. Het hof had het salaris dan ook, naar ING terecht opmerkt, op basis van twee punten moeten begroten.
2.2
Het verzoek van ING strekt ertoe dat dat het in het arrest van 7 juli 2020 vermelde bedrag van € 759,- in overeenstemming met het voorgaande wordt verbeterd in € 1.518,-.
2.3
[appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat geen sprake is van een kennelijke fout, omdat het liquidatietarief niet bindend is en uit het arrest niet valt op te maken dat sprake is van een kennelijke verschrijving of fout. Dit argument wordt verworpen. Uit het arrest is af te leiden dat het hof het liquidatietarief heeft gevolgd doch daarbij over het hoofd heeft gezien dat, zoals ook [appellant] wist, een comparitie na aanbrengen heeft plaatsgevonden.
2.4
Er is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Het hof zal die fout daarom verbeteren.

3.Beslissing

Het hof:
verbetert het in deze zaak op 7 juli 2020 uitgesproken arrest aldus dat in plaats van:
"veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 726,- aan verschotten en € 759,- voor salaris;"
wordt gelezen:
"veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 726,- aan verschotten en € 1.518,- voor salaris;"
stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, mr. M.P van Achterberg en mr. A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.