ECLI:NL:GHAMS:2020:2238
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en gebruik woning na echtscheiding
Partijen zijn in 2016 in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben drie minderjarige kinderen. Hun huwelijk is ontbonden per 28 augustus 2019. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van twee woningen: aan de [a-straat] en de [b-straat]. De vrouw woont met een dochter en een zoon uit een eerdere relatie in de woning aan de [a-straat], de man woont met twee zoons in de woning aan de [b-straat].
De man verzoekt toedeling van de woning aan de [a-straat] aan hem toe te wijzen tegen een waarde van €270.000, met ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en betaling van haar aandeel. Tevens verzoekt hij dat de vrouw de woning binnen zeven dagen verlaat. De vrouw betwist de waarde en wil een marktconforme taxatie, tevens verzoekt zij een termijn van zes maanden om in de woning te blijven na overdracht.
Het hof oordeelt dat het taxatierapport van februari 2020 met een waarde van €270.000 als uitgangspunt geldt. De vrouw krijgt een termijn van vier weken om de woning te verlaten. De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de levering van haar aandeel in de woning aan de man. Voor de woning aan de [b-straat] wordt bepaald dat de vrouw onvoorwaardelijk moet meewerken aan verkoop en levering, met dwangsommen bij weigering. Verder worden afspraken over inboedel, onderneming en banksaldi bevestigd. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet nieuwe uitspraak over de verdeling en medewerking.
Uitkomst: De woning aan de [a-straat] wordt aan de man toegewezen tegen een waarde van €270.000, de vrouw moet deze binnen vier weken verlaten en medewerking verlenen aan levering en verkoop van beide woningen.