Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[verzoeker sub 1] ,
2.[verzoeker sub 2] ,
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond in hoger beroep uitsluitend de persoon van de bewindvoerder en mentor ter discussie, niet het instellen van het bewind en mentorschap zelf. Verzoekers, familieleden van de rechthebbende, wilden benoemd worden als bewindvoerder en mentor, maar werden door het hof niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof oordeelde dat de uitbreiding van het begrip belanghebbende in artikel 798 lid 2 Rv Pro alleen geldt bij het instellen of opheffen van bewind en mentorschap, niet bij de benoeming van de persoon van bewindvoerder of mentor. Verzoekers hadden geen directe rechten of verplichtingen die door de benoeming werden geraakt, waardoor zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro konden worden aangemerkt.
De rechtbank had eerder bewind en mentorschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende, met benoeming van Beaufin Bewindvoering en Mentorschap [Z]. Verzoekers stelden dat zij in eerste aanleg niet waren gekend en dat hun belangen rechtstreeks werden geraakt, maar dit werd door het hof verworpen.
Het hof benadrukte dat de benoemde mentor en bewindvoerder de familie van de rechthebbende zullen betrekken en om advies zullen vragen indien nodig. Dit maakte het belang van verzoekers in deze procedure onvoldoende om hun hoger beroep te ontvankelijk te verklaren.
Daarom werd het hoger beroep van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard en bleef de benoeming van de bewindvoerder en mentor ongewijzigd.
Uitkomst: Het hof verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de benoeming van bewindvoerder en mentor.