ECLI:NL:GHAMS:2020:1553
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verklaring voor recht over verdeling en kwijting nalatenschap erflaatster
Het geschil betreft de verdeling van een bedrag van €20.939,57 uit de nalatenschap van erflaatster, moeder van appellant en stiefmoeder van geïntimeerden. Appellant, als executeur en erfgenaam, vorderde dat na betaling van dit bedrag aan geïntimeerde sub 2 partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben ten aanzien van de nalatenschap.
De kantonrechter wees de subsidiaire vordering toe dat het bedrag toekomt aan geïntimeerde sub 2, maar wees de verklaring voor recht af dat partijen na betaling niets meer van elkaar te vorderen hebben. Tegen dit vonnis kwam appellant in hoger beroep, waarbij verstek was verleend aan geïntimeerden.
Het hof oordeelde dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is omdat geïntimeerden geen verweer hebben gevoerd tegen deze stelling en er een overeenkomst is gesloten over de verdeling. Het hof vernietigde het vonnis voor zover de verklaring voor recht was afgewezen en wees deze alsnog toe, maar wees de proceskostenveroordeling af gezien de duidelijke standpunten van geïntimeerde sub 1.
Hiermee is definitief vastgesteld dat na betaling van het bedrag geen verdere vorderingen bestaan tussen partijen over de nalatenschap van erflaatster.
Uitkomst: Het hof verklaart voor recht dat na betaling van €20.939,57 aan geïntimeerde sub 2 partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben over de nalatenschap van erflaatster.