ECLI:NL:GHAMS:2020:1507
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindigingsregeling aanvullende uitkering ondanks verhoging AOW-leeftijd
Appellante was van 2000 tot 2011 universitair docent bij de VU en had op grond van de toen geldende cao en BWNU 2008 recht op een aanvullende uitkering tot haar 65e verjaardag. Na de verhoging van de AOW-leeftijd verzocht zij om verlenging van deze uitkering tot haar nieuwe AOW-leeftijd, maar dit werd geweigerd.
Zij stelde dat de beëindiging van de uitkering op 65-jarige leeftijd in strijd was met de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd (WGBL) en dat de regeling onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en in strijd met goed werkgeverschap. De kantonrechter wees haar vorderingen af en het hof bevestigde dit oordeel.
Het hof oordeelde dat de oude regeling uit 2008 niet leidde tot verboden leeftijdsdiscriminatie omdat deze destijds objectief gerechtvaardigd was en dat de latere cao en BWNU 2014 niet op haar van toepassing zijn omdat haar arbeidsrelatie eerder was beëindigd. Ook was er geen grond voor een aanvullende tegemoetkoming of verlenging van de uitkering.
De vorderingen van appellante werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de kosten van de procedure. Het arrest bevestigt dat bestaande rechten uit cao’s en regelingen niet met terugwerkende kracht kunnen worden aangepast vanwege latere wetswijzigingen of cao-aanpassingen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellante af, bevestigend dat de aanvullende uitkering eindigt op 65-jarige leeftijd.