ECLI:NL:GHAMS:2020:1301
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onderhoudsbijdrage vader na onvoldoende onderbouwing inkomen en vermogen
In deze civiele zaak in hoger beroep stond de vaststelling van kinderalimentatie centraal. De man betwistte zijn onderhoudsverplichting en stelde dat de ingangsdatum van de alimentatie onjuist was vastgesteld. Tevens voerde hij aan dat zijn draagkracht onvoldoende was vanwege vermeende lage huurinkomsten en beperkte vermogenspositie.
Het hof oordeelde dat de ingangsdatum van 1 april 2017 terecht was gekozen, omdat de man vanaf de geboorte van het kind verplicht is bij te dragen en hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de vordering. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €400 per maand, gebaseerd op de schatting van de vrouw, omdat de man geen voldoende onderbouwing gaf van zijn inkomen en vermogenspositie.
De man had geen inzage gegeven in zijn bedrijfsjaarstukken en zijn opgaven van huurinkomsten waren onvoldoende onderbouwd en betwist door de vrouw. Het hof concludeerde dat de man wel degelijk in staat is de alimentatie te betalen. Daarnaast wees het hof het verzoek van de man af om de extra DNA-onderzoekskosten in Spanje aan de vrouw toe te rekenen. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De man is verplicht €400 per maand kinderalimentatie te betalen vanaf 1 april 2017, en de kosten van het DNA-onderzoek blijven voor zijn rekening.