De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen, [kind A] en [kind B]. De kinderen staan sinds 2012 onder toezicht en zijn sinds september 2017 uit huis geplaatst vanwege zorgen over hun verzorging en opvoeding. De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat het contact met haar uitgebreid moet worden, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming de verlenging noodzakelijk achten.
De kinderen verblijven sinds eind oktober 2017 in een instelling voor observatie en diagnostiek. Uit psychologisch en psychoseksueel onderzoek blijkt dat zij te maken hebben met hechtings- en loyaliteitsproblematiek en gedragsproblemen. De moeder heeft moeite om adequaat op de kinderen in te spelen en heeft niet voldoende bijgedragen aan de zorgregeling. De vader ontkent beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en werkt mee aan een toekomstig perspectief voor de kinderen.
Het hof overweegt dat de gronden voor uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en nog steeds gelden. De moeder is onvoldoende in staat een stabiele en ondersteunende opvoedomgeving te bieden. De kinderen hebben een neutrale en gestructureerde omgeving nodig om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Daarom wordt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigd.