ECLI:NL:GHAMS:2019:604
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot kennelijke niet-ontvankelijkheid benadeelde partijen bij flessentrekkerijzaak
In deze strafzaak stonden vier verdachten terecht voor deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk flessentrekkerij en medeplegen van flessentrekkerij in de periode van 2011 tot 2014. De verdachten verzochten het hof om toepassing van artikel 333 Sv Pro, waarmee benadeelde partijen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden in hun vorderingen, vanwege het grote aantal vorderingen en de te verwachten complicaties bij de beoordeling daarvan.
Het hof overwoog dat hoewel er sprake is van een groot aantal benadeelde partijen en vorderingen, de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd welk belang zij heeft bij het verzoek, anders dan een algemene verwijzing naar de vermeende onevenredige belasting van het strafgeding. Het hof benadrukte het wettelijke uitgangspunt van drempelloze toegang tot de strafrechter voor benadeelden en de opdracht aan de rechter om die toegang effectief te waarborgen.
De rechtbank had eerder alle 91 benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard, maar het hof concludeerde dat de mogelijke complicaties zoals causaliteitsvraagstukken, vertegenwoordigingsbevoegdheid en eigen schuld niet zodanig evident zijn dat zij een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Ook het argument dat ondernemingen als benadeelde partijen hun belangen via de civiele rechter kunnen behartigen, werd door het hof verworpen.
Daarom wees het hof het verzoek van de verdachten af en verklaarde de benadeelde partijen niet kennelijk niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 25 februari 2019.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek af en verklaart de benadeelde partijen niet kennelijk niet-ontvankelijk.