ECLI:NL:GHAMS:2019:5012

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 november 2019
Publicatiedatum
21 april 2020
Zaaknummer
23-003916-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 47 SrArt. 422 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: Veroordeling voor invoer cocaïne ondanks eerdere vrijspraak politierechter

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van invoer van een hoeveelheid cocaïne van ongeveer 850 gram op 17 juni 2018 te Schiphol.

De verdachte werd aanvankelijk vrijgesproken door de politierechter, mede omdat de bewijsvoering in belangrijke mate steunde op de verklaring van een medeverdachte die zich op haar zwijgrecht had beroepen en niet was gehoord in hoger beroep. Het hof oordeelde echter dat deze verklaring voldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder WhatsApp-berichten, vluchtgegevens en telefoongegevens, zodat het gebruik van deze verklaring niet in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.

Het hof stelde vast dat de verdachte nauw betrokken was bij de invoer van de cocaïne, onder meer doordat hij de vliegtickets had betaald en de communicatie via WhatsApp met de medeverdachte overeenkwam met het smokkelen van drugs. De verdachte gaf bovendien niet het juiste telefoonnummer op en werd herkend op de profielfoto van het WhatsApp-contact.

Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de rol van de verdachte, legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden op, met aftrek van voorarrest. De verdachte was eerder op de Nederlandse Antillen veroordeeld, maar niet in Nederland. Het hof achtte de straf passend en geboden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor medeplegen invoer cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003916-18
datum uitspraak: 29 november 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-125887-18 tegen
[verdachte],
geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1986,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
15 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 juni 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de politierechter – tot een bewezenverklaring komt van het aan de verdachte ten laste gelegde.
Bewijsvoering en verwerping van een bewijsverweer [1]
De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit nu, kort samengevat, een bewezenverklaring (in strijd met artikel 6 EVRM Pro) in beslissende mate zou berusten op de belastende verklaring die de medeverdachte [medeverdachte] bij de Koninklijke Marechaussee heeft afgelegd. Dit terwijl zij niet door de verdediging is gehoord, doordat zij zich in haar verhoor bij de rechter-commissaris op haar zwijgrecht heeft beroepen en het openbaar ministerie niet het initiatief heeft genomen haar in hoger beroep – nu haar veroordeling onherroepelijk is – als getuige op te roepen.
Het hof overweegt als volgt.
Op 17 juni 2018 is [medeverdachte] aangehouden op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, na een vlucht vanaf Curaçao, terwijl zij ongeveer 850 gram van een materiaal bevattende cocaïne bij zich droeg in haar onderbroek en bustehouder en in haar bagage. [2] Zij verklaarde ongevraagd dat de verdachte haar opdracht heeft gegeven tot het smokkelen van de cocaïne, dat zij samen met de verdachte naar Nederland is gereisd en dat zij in het vliegtuig naast elkaar hebben gezeten. Ook verklaarde zij dat de verdachte in haar telefoon stond als het contact met de naam ‘[naam 1]’. [3] In het verhoor bij de Koninklijke Marechaussee voegde zij daaraan toe dat de verdachte haar vliegticket heeft betaald. [4] Nader onderzoek wees uit dat de verdachte inderdaad de vliegtickets voor hem en [medeverdachte] heeft betaald en dat hun stoelen in het vliegtuig de opeenvolgende nummers [nummer 1] en [nummer 2] hadden. [5]
De inhoud van de WhatsApp-gesprekken tussen [medeverdachte] en het contact met de naam ‘[naam 1]’ duidt erop dat [naam 1] ‘het ding’ op 9 juni 2018 naar [medeverdachte] heeft gebracht en zij dat moest testen en dat zij zich op 16 juni 2018 samen gereed maakten om op reis te gaan met ‘die dingen’. [6] Het hof stelt vast dat ‘die dingen’ duiden op de bij [medeverdachte] in onder meer haar bustehouder en onderbroek aangetroffen verdovende middelen en dus dat [naam 1] bij de invoer daarvan nauw betrokken was.
Voorts stelt het hof vast dat het telefoonnummer van [naam 1] ([telefoonnummer 1]) [7] slechts één cijfer verschilt van het telefoonnummer dat de verdachte als het zijne heeft opgegeven in zijn verhoor bij de Koninklijke Marechaussee op 28 juni 2018 ([telefoonnummer 2]), waarna hij niet de code van zijn iPhone wilde geven, zodat controle van het opgegeven nummer niet mogelijk was. [8] Het hof stelt vast dat de verdachte – wat de 1 in plaats van de 5 betreft – niet het juiste nummer heeft opgegeven, mede nu de Koninklijke Marechaussee de verdachte heeft herkend op de WhatsApp-profielfoto uit de telefoon van [medeverdachte] behorend bij het contact ‘[naam 1]’ [9] .
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat een bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaring van [medeverdachte]. Haar verklaring wordt immers in belangrijke mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat de verdediging niet gebruik heeft kunnen maken van het recht [medeverdachte] te ondervragen staat onder deze omstandigheden dan ook niet in de weg aan het gebruik van haar verklaring voor het bewijs en is niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 juni 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar in de voormelde voetnoten is verwezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een koerier schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne in Nederland. Daarbij had de koerier ruim 800 gram van een substantie met cocaïne verstopt in haar kleding en bagage. De verdachte heeft zich bezig gehouden met de voorbereiding en de begeleiding van die drugssmokkel. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof. De gesmokkelde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en verkoop. De verspreiding van en de handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 oktober 2019 is hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, maar, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van eveneens 31 oktober 2019, wel op de Nederlandse Antillen.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en acht, nu geen omstandigheid is gebleken hiervan af te wijken, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van
mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
29 november 2019.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, wordt – tenzij anders vermeld - gedoeld op de pagina’s die deel uitmaken van een dossier van de Koninklijke Marechaussee, documentnummer 20171105.6500, doorgenummerde pagina’s 1-152. Dit dossier bevat een verzameling processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren zijn opgemaakt, alsmede (eventueel) andere bescheiden. Voor zover hierna wordt verwezen naar een geschrift is de inhoud daarvan gebezigd in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.
2.Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], van 18 juni 2018, in samenhang met het deskundigenrapport van [naam 2], werkzaam bij het Douane Laboratorium van 20 juni 2018 (los bijgevoegd in het dossier).
3.Proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], van 19 juni 2018, p. 36.
4.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], van 18 juni 2018, p. 144.
5.Een geschrift, te weten een uitdraai van de vluchtgegevens, p. 100-102 in samenhang met het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], van 28 juli 2018, p. 70.
6.Proces-verbaal vertaling WhatsAppchat- en spraakberichten, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5], van 6 juni 2018, p. 17-33.
7.Proces-verbaal vertaling WhatsAppchat- en spraakberichten, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5], van 6 juni 2018, p. 17
8.Proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], van 28 juli 2018, p. 67.
9.Aanvullend proces-verbaal, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], van 2 november 2018 (los opgenomen in het dossier).