Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
(…)
(…) K. Voor het geval ik overlijd (…) na mijn echtgenoot:
3.Beoordeling
in mindering op de schuld moet ten behoeve van de rechthebbende daarop worden betaald al hetgeen die rechthebbende tengevolge van mijn overlijden aan Nederlandse en/of buitenlandse successie belasting is verschuldigd.” wijst erop dat erflater(s) in 1986, op het moment van opstellen van het testament, reeds rekening hield(en) met “buitenlandse gelden”, aldus [appellant] . Hij stelt zich op het standpunt dat hij het bestaan van buitenlandse gelden voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat hijzelf en derden in de gelegenheid moeten worden gesteld om over zijn stellingen gehoord te worden. Ook meent hij dat de rechtbank ten onrechte ervan heeft afgezien om een deskundige te benoemen. Deze zou kunnen verklaren over de voetbalmakelaardij, de bedragen die daarbij in die tijd rondgingen, hoe de geldstromen liepen en waarom er specifiek via Zwitserland zaken werden gedaan. Tot slot beroept hij zich op door hem overgelegde producties.