Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Grief Ihoudt in dat deze feitenvaststelling onjuist en onvolledig is. Welke van de feiten volgens Heineken onjuist zouden zijn, is echter niet duidelijk geworden. De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn in hoger beroep dan ook niet of onvoldoende bestreden en dienen ook het hof als uitgangspunt. Het hof zal bij de beoordeling van het geschil wel rekening houden met de in de toelichting op de grief aangevoerde aanvullende feiten, voor zover deze voor de beoordeling van belang zijn. Samengevat en aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.Beoordeling
de vetafscheider niet goed was aangesloten’, maakt dit niet anders. [X] heeft ook niet bestreden dat alle afvoerleidingen (voor vet en sanitair) onder het gehuurde samenkwamen op één (hoofd)leiding en dat geen mogelijkheid bestond om onder het pand te komen, zodat het scheiden van de vetafvoerleidingen van de sanitaire voorzieningen niet eenvoudig was, zoals [rioolreiniging] heeft geconstateerd. Tegen deze achtergrond acht het hof het onwaarschijnlijk dat de toestand bij het aangaan van de huurovereenkomst in 2003 een andere was dan die ten tijde van het onderzoek van [rioolreiniging] . Voor zover [X] heeft willen betogen dat de vetvangput aanvankelijk wel op de (vet)afvoerleiding(en) van het gehuurde enerzijds en het hoofdriool anderzijds was aangesloten en dat daarin, door toedoen van Heineken en/of haar onderhuurder, verandering is gekomen tussen de aanvang van de huurovereenkomst met Heineken in 2003 en het onderzoek van [rioolreiniging] in februari 2014, had het op haar weg gelegen om die stelling concreet toe te lichten, bijvoorbeeld aan de hand van bij haar rechtsvoorgangers ingewonnen informatie. Dat heeft zij niet gedaan, waarmee de grondslag aan dit betoog ontvalt.