ECLI:NL:GHAMS:2019:4217

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2019
Publicatiedatum
27 november 2019
Zaaknummer
23-002992-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor winkeldiefstal met voorwaardelijke gevangenisstraf

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld voor winkeldiefstal. De politierechter legde een gevangenisstraf van twee weken op, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal vorderde een geheel voorwaardelijke straf, terwijl de raadsman verzocht om schuldverklaring zonder straf.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring van winkeldiefstal bij een winkel, waarbij de verdachte het eigendomsrecht van de winkel schond en schade veroorzaakte. Gezien eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten achtte het hof in beginsel een onvoorwaardelijke straf passend. Echter, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een moeilijke periode door verslaving en geïsoleerd bestaan, en het feit dat hij sinds het bewezen feit niet meer is veroordeeld, besloot het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Daarnaast verlengde het hof de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf met één jaar. Het hof verwierp het verzoek tot toepassing van artikel 9a Sr, omdat dit onvoldoende recht deed aan de ernst van het feit en de recidive. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 25 november 2019.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002992-18
datum uitspraak: 25 november 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-092187-18 en 13-175990-17 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1955,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld algemene voorwaarden en een bijzondere voorwaarde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder dat aan hem een straf of maatregel wordt opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal bij [winkel]. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [winkel] en dit bedrijf schade en hinder toegebracht. In het nadeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat hij, zoals blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 oktober 2019, eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (winkel)diefstallen. Gelet daarop zou in deze zaak in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enige duur gerechtvaardigd zijn.
In strafmatigende zin houdt het hof echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep als volgt naar voren zijn gebracht: ten tijde van het bewezenverklaarde feit maakte de verdachte een moeilijke periode door, maar hij lijkt inmiddels beter in staat overeind te blijven in zijn problematische situatie (veroorzaakt door zijn verslaving en zijn geïsoleerde bestaan). Dit laatste vindt bevestiging in voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte sinds het plegen van het onderhavige feit niet meer is veroordeeld.
Het hof ziet in het voorgaande aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsman heeft verzocht, doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de recidive van de verdachte.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de strafoplegging acht het hof – evenals de advocaat-generaal en de raadsman – termen aanwezig de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met één jaar te verlengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van
22 december 2017 parketnummer 13-175990-17, met een termijn van 1 (één) jaar.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.M. van Woensel en mr. L.I.M. van Bergen, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
25 november 2019.
mr. L.I.M. van Bergen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.