In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd dat de verdachte samen met een medeverdachte heeft gepoogd in te breken in een woning aan de [adres 2] te Amsterdam. De verdachte werd op heterdaad betrapt met een breekijzer en er werd braakschade aan de toegangsdeur vastgesteld.
De verdediging voerde aan dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte daadwerkelijk bij die woning probeerde in te breken, maar het hof verwierp dit verweer op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de aangetroffen braakschade, schilfers van lak en het bezit van een koevoet.
De politierechter had een gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd, maar het hof vernietigde deze strafoplegging en legde een gevangenisstraf van 3 maanden op, mede vanwege de recidive van de verdachte, het feit dat de poging plaatsvond tijdens een proeftijd en de ernst van het feit dat gevoelens van onveiligheid in de buurt kunnen veroorzaken.
Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de woning niet bewoond was, maar vond dit onvoldoende om een lichtere straf op te leggen dan de LOVS-richtlijn van 5 maanden voor recidive bij woninginbraak. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.